
G. P. Können en C. Floor Zenit april 2011. ![]()
Onlangs verschenen op internet een paar foto's van een merkwaardige, naar binnen gekrulde weerspiegeling van een regenboog. De weerspiegeling trad op in een gerimpeld wateroppervlak. De reden van de krulling is dat wij bij een weerkaatsing op golfjes die vér van ons weg zijn, alleen de 'voorkant' van de golfjes zien. Daardoor komt dicht bij de horizon het spiegelend vlak van licht golvend water scheef te staan.
![]() |
![]() |
![]() |
|
|
|
Figuur 1 toont een heldere regenboog, tegen zonsondergang gefotografeerd vanaf
de Canadese westoever van het Ontariomeer. Het exacte tijdstip van de foto is
niet gerapporteerd, maar gemakkelijk te achterhalen: omdat wij weten dat de
straal van de regenboog 42 graden is, volgt uit het simpel opmeten van de foto
dat de zonshoogte ongeveer 3,6° was. Dit betekent dat de foto om 20:36 plaatselijke
(zomer) tijd is genomen - dat wil zeggen 26 minuten voor zonsondergang [zie
ref. 1]. De zon stond in het noordwesten, op azimut 299.4°. Voor het tegenpunt
van de zon volgt daaruit een azimut van 299°- 180° = 119° en voor
de gefotografeerde linker voet van de regenboog dus 119°- 42° = 77°.
Dit betekent dat de foto vrijwel precies in de lengterichting van het 300-km
lange meer is genomen zodat er geen landkenmerken boven de horizon kunnen uitsteken.
Wat kunnen wij verder nog uit de foto opmaken? We zien dat de regenboog abrupt
door de horizon wordt afgesneden. Dit betekent dat het onderste deel van het
regenscherm van de bui zich achter de horizon moet bevinden - anders zou de
boog beneden de horizon door moeten lopen. Bij een ooghoogte van 2 meter is
de horizon op 5 km van de waarnemer: het scherp afsnijden van de boog vertelt
ons dus dat de bui ten minste 5 km van de fotograaf verwijderd was.
Het merkwaardige van de foto is echter niet de boog zelf, maar zijn weerspiegeling.
De vorm hiervan is grotendeels zoals die je die zou verwachten van het spiegelbeeld
in een horizontale spiegel, maar dicht bij de horizon gaat het mis: het spiegelbeeld
krult daar naar binnen (zie figuur 2).
De verklaring van dit verschijnsel kan afgeleid worden uit Minnaert's boek De
natuurkunde van 't vrije veld [ref. 2]. In paragraaf 23 daarvan behandelt hij
het wonderlijke verschijnsel dat men in groot golvend wateroppervlak vrijwel
nooit een weerspiegeling ziet van schepen, bomen aan de overkant en andere lage
objecten. De onderste 30° van de hemel wordt doorgaans gewoon niet weerspiegeld!
Alvorens de regenboogreflectie te behandelen, gaan wij hier nader op in.
![]() |
![]() |
|
Figuur 2: Detail van figuur 1.
|
|
Golfoppervlakken als spiegels
Spiegelbeelden op golven komen hoofdzakelijk tot stand via weerkaatsingen op
de steilste delen van een golf, oftewel op de buigpunten van de golven. De weerkaatsing
van objecten via andere delen van een golf - die als bolle of holle spiegels
werken - leveren een zoveel zwakker en diffuser spiegeling op, dat ze in deze
beschouwing verwaarloosd kunnen worden. Uiteraard heeft iedere golf die van
ons wegloopt twee buigpunten: één die naar ons toe helt en één
die van ons af helt. Omdat een golvend oppervlak doorgaans bestaat uit vele
golfjes van allerlei steilheden en afmetingen die door elkaar heen lopen, komt
de spiegelende werking tot stand door buigpuntjes die verschillende hoeken met
de horizon maken.
Als wij nu steil naar beneden in licht golvend water kijken naar de weerspiegeling
van een voorwerp boven de horizon, dan zien wij in zekere zin het spiegelbeeld
zoals je dat in een horizontale spiegel zou verwachten: gemiddeld gesproken
is de hoek van inval namelijk gelijk aan hoek van uittrede. Weliswaar danst
het spiegelbeeld van een ver, helder lichtpunt voortdurend alle kanten op, maar
intussen blijft het toch steeds in de buurt van de plaats waar je bij vlak water
het spiegelbeeld zou verwachten. Het feit dat een golvend oppervlak zich hier
toch als een spiegel manifesteert - zij het een slechte -- komt doordat de golfjes
even vaak hun voorkant als hun achterkant naar de waarnemer keren.
Anders wordt het als wij ver weg kijken, dus naar de spiegelende werking vlak
bij de horizon [ref. 2,3]. In dat geval doen de buigpunten achter de golven
niet mee, omdat ze aan het zicht onttrokken zijn - zie figuur 3. Alleen de voorkanten
van de golven spiegelen nog licht naar ons toe. Aangezien die golfdelen naar
ons toe hellen, spiegelen ze licht naar ons toe dat afkomstig is van hogere
delen aan de hemel dan je van een horizontale spiegel zou verwachten.
Door dit alles werkt golvend water als een spiegel die in de verte naar boven
krult - met onder meer het door Minnaert genoemde effect tot gevolg dat je van
ver verwijderde objecten vrijwel nooit een spiegelbeeld ziet. In figuur 4 is
de vorm van het reflecterend oppervlak schematisch weergegeven [voetnoot 1];
figuur 5 geeft aan hoe de scheefheid van de 'effectieve spiegel' is als functie
van de afstand (in graden) tot de horizon [voetnoot 2].
Er is een verband tussen de scheefheid van het spiegelend oppervlak en de steilheid
van de golven, dat wil zeggen de verhouding hoogte/lengte van een golf. Dit
wordt besproken in Kader I.
![]() |
![]() |
![]() |
|
|
|
Metingen en interpretatie van de scheefheid van spiegelend water
Via het uitmeten van de afstanden tussen de regenboog en zijn reflectie(s) hebben
wij een echte versie van figuur 5 gemaakt. Het resultaat is ter zien in figuur
6. De grafiek is tot stand gekomen door op verschillende plaatsen op de regenboog
te meten hoe ver het midden van de verbindingslijn tussen een regenboogpunt
en zijn reflectie boven de horizon ligt. Voor nadere uitleg: zie Kader
II. Bij de uitmeting werden punten langs de rode buitenkant van de boog
beschouwd (en dus niet in het groen, zoals in het Kaderstuk) - hetgeen leidt
tot grotere nauwkeurigheid.
De figuur toont dat de scheefheid van het spiegelend vlak merkbaar begint te
worden bij reflecties die dichter dan 2° van de horizon plaats vinden -
dat wil zeggen op meer dan 30 meter afstand van de waarnemer. Bij de horizon
is de scheefheid van het spiegelend vlak opgelopen tot 3°, hetgeen overeenkomt
met een steilheid H/L van de golven van 1/60. Deze steilheid is veel kleiner
dan die van volgroeide golven (zie Kader II). Dit suggereert dat de golven deiningsgolven
zijn, hetgeen er op duidt dat de wind in de periode voorafgaand aan de foto
aan het wegvallen was. Hoe hoog de golven zijn geweest, is uit de reflectie
van figuur 6 niet af te leiden.
Waarom zo zeldzaam?
Met dit alles lijkt het verschijnsel op figuur 1 afdoende verklaard te zijn.
Alle informatie over de toestand van de golven die te verkrijgen is, lijkt uit
de foto te zijn geperst. Blijft de vraag waarom de gekrulde regenboogreflectie
zo zeldzaam is. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren. Allereerst
moeten de golven niet te wild zijn, zodat ze een redelijk vlak oppervlak hebben
dat het licht fatsoenlijk kan weerkaatsen. Een ruwe zee laat zelfs helemaal
geen regenboogreflectie zien [zie figuur 7]. Het lijkt ons dan ook geen toeval
dat de golven waarin de gekrulde reflectie verscheen, deininggolven zijn geweest;
deze hebben nu eenmaal een gladder uiterlijk dan groeiende of volgroeide golven.
Een groot meer - zoals het Ontariomeer - heeft een grotere kans om met deining
te maken te hebben dan een klein meertje, omdat de golven verder kunnen lopen
voordat ze de oever bereiken. Een factor die wellicht ook bijdraagt is de golfrichting
- als de kammen loodrecht op de zichtrichting staat, worden verticale structuren
makkelijker afgebeeld.
Toch is dit alles naar onze smaak niet helemaal voldoende om de zeldzaamheid
volledig te verklaren. Een belangrijke extra factor is de onbekendheid met het
fenomeen: wat je niet kent, zie je ook vaak niet. En omgekeerd: als je weet
waar je op moet letten, dan openbaart het effect zich bijna als vanzelf. In
een vorig artikel (ref. 7) hebben wij daar ook al een paragraaf aan gewijd,
onder het kopje 'Wat de boer niet kent, dat ziet hij niet'. Tijdens het schrijven
van dit artikel werden de auteurs meteen met de waarheid van deze bewering geconfronteerd,
toen bij wat speurwerk op internet inderdaad meerdere voorbeelden opdoken. Ten
bewijze hiervan, zie figuur 8.
Referenties:
1. Direct te berekenen op de website Naval Oceanography Portal, www.usno.navy.mil/USNO/astronomical-applications/data-services/alt-az-world
2. Minnaert, M. (1968) De
natuurkunde van 't vrije veld, deel 1: Licht en kleur in het landschap,
Thieme, Zutphen, paragraaf 23
3. Lynch, D.K. en Livingston, W (2006) Licht en kleur in de natuur, deel 84
van de Wetenschappelijke Bibliotheek van Natuur en Techniek, Van Veen Magazines,
Amsterdam, paragraaf 3.15
4. Groen, P. (1974) De wateren van de wereldzee, De Boer Maritiem Handboeken,
Bussum, ISBN 9022813010
5. Groen, P. en Dorrestein, R. (1976) Zeegolven, KNMI opstellen op oceanografisch
en maritiem meteorologisch gebied No 11, Staatsdrukkerij, UDC 5514663/4
6. Laing, A.K. (Editor), (1998), Guide
to wave analysis and forecasting, Second Edition, WMO rapport 702, WMO Zwitserland,
ISBN 92-63-12702-6.
7. Können, G.P. (2008), 'Halovlek
bij ons schaduwpunt', Zenit 35, 545-547
__________________________
Voetnoten
[voetnoot 1]: In feite begint de scheefheid bij een minder scherende
kijkrichting dan de figuur en tekst suggereren, omdat het van ons afgekeerde
deel van de golf het licht minder effectief weerkaatst dan zijn voorkant. Dit
komt doordat deze effectiviteit evenredig is met de sinus van de hoek die een
lichtstraal met (het buigpunt van) een golf maakt, en die hoek is voor het afgekeerde
deel van de golf kleiner. Dit effect laten wij hier verder buiten beschouwing.
[voetnoot 2]: Uiteraard zijn figuur 4 en 5 direct in elkaar om te rekenen via
transformatie van de horizontale as: als d de afstand in meters is en de ooghoogte
2 meter bedraagt, dan is bij verwaarlozing van de kromming van de aarde het
verband van d met de hoekafstand gegeven door tan = 2/d.
|
Hoogte, vorm en steilheid van watergolven Naast hoogte H en lengte L is de steilheid een belangrijke afgeleide karakteristiek van watergolven. De steilheid H/L is de verhouding hoogte H tot zijn golflengte L. De waarde ervan wordt doorgaans uitgedrukt als een breuk, dus bijvoorbeeld 1/20 in plaats van 0,05. Uit de theorie volgt dat golven met een steilheid groter dan 1/7 niet kunnen bestaan: steilere golven breken (storten over), zoals wij dat in de branding zien gebeuren. Golven die in evenwicht zijn met de windsnelheid en dus volgroeid zijn, hebben een steilheid van ongeveer 1/25 [voetnoot K1]; windgolven die nog aan het groeien zijn, hebben een grotere steilheid. Volgroeide golven noemt men wel zeegang; als de wind wegvalt, lopen de eerder gevormde golven weg als deining, waarbij hun steilheid almaar afneemt en ze bovendien steeds gladder worden. Wordt de steilheid kleiner dan 1/40, dan is het profiel van de golf vrijwel symmetrisch en niet meer te onderscheiden van een sinus. Voor meer details, zie ref. 4-6. De tabel hieronder geeft (voor een sinusvormige golf [voetnoot K2]) het verband tussen de steilheid H/L en de hoek die het buigpunt maakt met de horizontaal.
|
|
![]() |
|
![]() |
|
| Ieder verticaal staafje in dit figuur verbindt een plek in het groene deel van de regenboog met zijn weerkaatsing. Het midden van zo'n staafje geeft het spiegelpunt aan. Als dat midden boven de horizon is, staat het spiegelend vlak scheef. Merk op dat het middelste staafje twee spiegelbeelden lokaliseert: één onderaan het staafje en één vlak bij de horizon. | |