Kees Floor, Geestgronden augustus 2018.


Van de zestiende tot en met de achttiende eeuw waren er in Nederland talrijke blekerijen. Sommige daarvan vervulden een functie die inmiddels door wasserijen of thuis door de wasmachine is overgenomen: het reinigen van gebruikte, gedragen kleding. Je vond die overal in het land. Andere maakten deel uit van een tak van nijverheid. Daar werd nieuw geweven, ruw linnen schoner en witter gemaakt, om vervolgens voor eerste gebruik verhandeld te worden. De stad Haarlem was een van de centra van deze linnenindustrie en de bijbehorende handel (1); de linnenblekerijen waren onder andere gevestigd in omliggende gemeenten, of door afvalwaterproblematiek gedwongen geweest daarheen uit te wijken. Het gebied met blekerijen was echter omvangrijker en strekte zich uit langs een groter gedeelte van de kust, van Katwijk in het zuiden tot Egmond in het noorden. Het ruwe linnen werd veelal geïmporteerd uit het buitenland, om vervolgens in Holland gebleekt, verhandeld en geëxporteerd te worden.
Het Haarlemmer wit, in het buitenland bekend als toile de Hollande, was van uitstekende kwaliteit en had een goede naam. Ook het in Egmond gebleekte linnen gold als Haarlems, omdat de handel via dat centrum verliep.

Ideale omstandigheden
De binnenrand van de duinen bij Egmond en elders langs de Hollandse kust was zeer geschikt voor de vestiging van linnenblekerijen. In voorjaar en zomer was er helder licht en zuivere lucht in overvloed en het regende er minder vaak dan meer landinwaarts. Verder had het beschikbare, schone duinwater de ideale samenstelling. Daarnaast waren de geestgronden na egalisatie gemakkelijk om te vormen tot bleekvelden met gelijkmatig, stevig gras en een effectieve, natuurlijke waterafvoer. Op de hoger gelegen nollen, met meer windvang en de mogelijkheid het linnen op het zuiden te richten, konden de stoffen gedroogd worden. Vlakbij lag het Hollandse polderland, waar de melkveehouderij de zure melk en wei kon aanleveren die eveneens een rol speelden bij het bleken.

Bleekvelden
De bleekvelden werden doorsneden door gietsloten, die gevuld waren met schoon duinwater afkomstig uit al dan niet gegraven welsloten. Sloten waardoorheen het week- en spoelwater, het afgewerkte loog en het zure melkwater kon afvloeien, ook wel stinckert of styncksloot genoemd, mochten daarmee natuurlijk niet in verbinding staan. Rond de bleekvelden werden soms sloten gegraven om konijnen te weren. Ook waren er heggen om beschutting te bieden tegen de wind of stuivend zand; ze werden laag gehouden om geen schaduw te werpen op de bleekweiden. De duinen in de buurt van de blekerijen werden beplant om het stuiven van zand tegen te gaan.


1. Linnenblekerij. Links twee blekersknechten, die met een hoosspaan water uit de gietsloot uitgieten over het linnen. Op de voorgrond drie blekersmeiden, die het linnen uitleggen op de bleekweide. Een van de meiden heeft houten pennen in de hand, waarmee het linnen werd vastgezet, zodat het niet weg kon waaien. Meer naar achteren zien we het wringrad. Rechtsachter voeren blekersmeiden op een kruiwagen linnen aan om uitgelegd te worden. Detail uit: Het Huis, op de Lywaat-bleekery van de wed: Louis Gunst, op de Glip, door Joseph Charles, 1797. Bron: Beeldbank Noord-Hollands Archief NL-HlmNHA_53003495.

Het bleken
Bij het bleken ging men als volgt te werk. Om het ergste vuil uit de van elders aangevoerde weefsels en spinsels te verwijderen, werd het ruwe linnen geweekt in een grote houten kuip met verdund loog. Als loog werd potas gebruikt, dat meestal via Amsterdam vanuit Scandinavië werd aangevoerd. Hierna werd het linnen gewassen, in het spoelhuis gespoeld met stromend water, buiten op het erf uitgewrongen met het wringwiel op de wringbok en vervolgens gedroogd door het uit te leggen op gras (Afb. 1). Voor het vervoer van het linnen naar de bleekvelden gebruikte men rolwagens of kruiwagens. Om te voorkomen dat het te drogen liggende linnen weg zou waaien, werd het vastgezet met houten pennen, gestoken door aan de stoffen genaaide lussen. Als het linnen droog was, ging het naar het looghuis voor een of meer loogbaden. Daarna deed men de natuurlijke kleurstof van de vezels verdwijnen door de inwerking van zonlicht en zuivere lucht tijdens het opnieuw uitleggen van de stoffen die werden behandeld. Het was dit keer belangrijk dat het linnen vochtig bleef. Blekersknechten schepten daartoe met een hoosspaan water uit de gietsloten en gooiden dat over de lappen stof. Het logen en bleken werd net zo lang herhaald tot er geen winst meer te behalen viel. Dan volgde een zuurbad met karnemelk of wei, afvalproducten van de nabijgelegen melkveebedrijven; daarmee werd zowel de stevigheid als de kleur van het linnen verbeterd. Dit 'melken' werd veelal verscheidene keren herhaald. Daarna werd het linnen gezeept, gewassen en uitgespoeld. Bij het wassen werkten de 'vrolijke blekersmeisjes' al zingend twee aan twee aan een stuk linnen. De cyclus van logen, buiten bleken, melken en wassen werd om een optimale kwaliteit linnen te krijgen, zo nodig nog een aantal malen herhaald. Na een controle op vuil of eventuele andere onvolkomenheden in de stof, vervolgde het linnen zijn weg door stijfsel- en blauwselketels. Als het lijnwaad vervolgens was uitgelekt, werd het met de hand of met het rad uitgewrongen en vervolgens naar de droogberg, 'een hooge kroft', gereden. Met de speciale droogstekken werd het linnen voorzichtig vastgezet; hoe gelijkmatiger het drogen kon, hoe beter. Het droge lijnwaad werd opgevouwen en opgerold en was daarmee klaar voor teruglevering aan de opdrachtgever. Het hele proces had dan zo'n een tot drie maanden geduurd.

Arbeidsintensief
Het werk op de blekerijen was arbeidsintensief; gemiddeld waren er per bedrijf 10 blekersknechts en 40 blekersmeiden aan het werk. Er was een tekort aan geschikte plaatselijke en gewestelijke arbeidskrachten; ze vonden het werk te zwaar en te onaantrekkelijk en vroegen een loon dat het moeilijk maakte een blekerij te laten renderen. In de personeelskrapte werd voorzien door seizoenarbeiders, die, gelokt door de hoge Hollandse lonen, vanuit Brabant, Overijssel en Westfalen hierheen trokken om werk te zoeken.
De blekerijen werden beschouwd als een aanwinst voor het landschap. Waar nu de toeristen komen voor de bollenvelden of natuurgebieden, kwam men destijds naar de kuststrook om het schouwspel van de linnenblekerijen te aanschouwen. (Afb. 2, geheel rechts).


2. Linnenblekerij buiten Haarlem. Blekersmeiden zijn aan het wassen; geheel op de voorgrond een rolwagen en rechts daarachter een kruiwagen, die dienden voor het vervoer van het linnen naar de bleekvelden. Links in beeld bedient een blekersknecht het wringwiel. Op de achtergrond zicht op de bleekvelden met uitgelegd linnenwaad en op de duinen. Geheel rechts een groepje toeristen, die een kijkje nemen bij het 'wonderbaarlijk bevallig bleeken'. Tekening door Gerbrand van den Eeckhout; datering 1659-1665. Bron: Studio Rijksmuseum RP-T-1899-A-4303.

Blekerijen in Egmond
In Egmond functioneerden in de 17e en 18e eeuw verscheidene blekerijen. Op een kaart van 't Graafschap van Egmont in 1665 zijn er twee aangeduid (Afb. 3). Een aardrijkskundige tekstuitgave uit 1750 houdt het op drie: 'Te Egmond Binnen aan het Duin zyn twee Linnenbleeckeryen en nog een tussen Egmond op den Hoef en Rynegom, die door het helder Duinwater zeer bekwaam geacht worden om ruwe Linnens te bleeken' (2). Het 35 jaar later uitgegeven Vaderlandsch Woordenboek komt niet verder dan twee: 'Egmond-Binnen, een overoud dorp ….. Men vind er twee Linnebleekerijen: Eén aan Duin, en éene tusschen Egmond op den Hoef en Rijnegom.' (3).
Het historisch kadaster van de Binnen-Egmonden, dat de periode 1602-1832 bestrijkt, biedt preciezer informatie (4). We kunnen nagaan hoeveel blekerijen er waren, waar ze zich bevonden, wie ze in eigendom hadden en wanneer ze functioneerden. De datering is overigens niet erg precies; we kennen alleen jaren waarin een overdracht van eigendom plaatsvond of waarin er een hypotheek nodig was. Ook exploiteerden de eigenaren de blekerij niet altijd zelf.



3. Uitsnede uit de kaart Afbeeldingh van 't Graafschap van Egmont …. In 1849 vervaardigde kopie door Cornelis Joan Stellingwerff van een oorspronkelijke kaart van Jan Dirksz. Zoutman uit 1665. Bij T en N staat de aanduiding 'bleekery'. Latere kaarten geven ook een blekerij bij Z. A=abdij. W=Waterrijk. Bron: Beeldbank Noord-Hollands Archief NL-HlmNHA_560_000763_G.

De eerste Egmondse blekerij
De oudste Egmondse blekerij lag tegen de duinrand net ten westzuidwesten van Egmond-Binnen, in het tegenwoordige Noordhollands Duinreservaat (Afb. 4, N). De huidige beheerder heeft het terrein in 2010 een opknapbeurt gegeven, waarbij de gietsloten nadrukkelijk herkenbaar zijn in het landschap. De blekerij werd al genoemd in 1619, toen Adriaan Aertsz (5) haar doorverkocht aan een koopman uit Haarlem. De locatie ervan is ook aangegeven op de eerder genoemde kaart van het Graafschap Egmond in 1665 (Afb. 3). De blekerij betrok zijn blauwsel, mogelijk ook de potas, vermoedelijk enige tijd van de blauwselmolens op de hoek van de huidige Lamoraalweg en de Weg over de Bisschop in Egmond aan den Hoef. (6) Ze waren in de jaren twintig, dertig en veertig van de zeventiende eeuw in bedrijf, maar hadden hun activiteiten al beëindigd voor de andere blekerijen met hun activiteiten begonnen.
De oudste Egmondse blekerij is onder andere in het bezit geweest van Engel Jansz van Doorne, en later van Willem Sijmonsz Schuyt. In 1749 werd ze verkocht aan Egbert Jansz Valkering, die reeds pachter was van de blekerij Tijdverdrijf. De activiteiten van de blekerij werden vermoedelijk beëindigd voor of in 1789, toen Valkering haar van de hand deed.


4. Ligging van de vier in de tekst genoemde Egmondse blekerijen, aangegeven op een recente topografische kaart. Van noord af: T = blekerij Tijdverdrijf; N = naamloze blekerij; M = blekerij het Mooijvelt; Z = blekerij op de Zuiderbuurt, later de Oude Bleek. Bron kaart: opentopo.nl.

Blekerij Tijdverdrijf
Deze blekerij, de grootste van de Egmonden, lag tussen de Tijdverdrijflaan en de Weg naar De Bleek op de plek die nog steeds wordt aangeduid als De Bleek. De blekerij werd midden jaren vijftig van de zeventiende eeuw in gebruik genomen; ze is eveneens aangegeven op Afb. 3 (T). Tot 1703 verhuurden de eigenaren van de nabijgelegen hofstede Tijdverdrijf de blekerij, het eerst aan 'bleycker' Pieter van Dalen. Daarna werd het eigendom van hofstede en blekerij gesplitst. Een van de eigenaren van de blekerij was de bekende Egmondse papiermaker Lubbertus van Gerrevink (7), die deze 'neeringrijke bleekerij te Rinnegom' in 1726 kocht. Kort na zijn overlijden in 1731 verpachtten de erfgenamen de blekerij aan Egbert Jansz Valkering, die het bedrijf in 1768 koopt en op naam zet van zijn zoon Jan (8). De familie zou de blekerij bijna zeventig jaar exploiteren; ze werd waarschijnlijk rond 1800 opgedoekt.

Blekerij op de Zuiderbuurt (De Oude Bleek)
Een derde blekerij die in het historisch kadaster wordt genoemd, is die op de Zuiderbuurt. Deze lag aan de westkant van de Herenweg tegen de grens met Bakkum en was reeds in 1664 in gezamenlijk gebruik bij blekers Sijmon Willemsz Schuyt en Teunis Jansz. In de jaren tachtig runt Claas Sijmonsz Schuyt de blekerij. Op de eerdergenoemde kaart uit 1665 (Afb. 3) treffen we de blekerij echter nog niet aan; wel vinden we haar later vermeld als Bleyck op een kaart die gedateerd is 1680-1745 en in het laatstgenoemd jaar werd uitgegeven (Afb. 5).
Rond 1725 brandde de blekerij af en werden een huis en de landen waarop onder andere de blekerij had gestaan, verkocht. In 1731 wordt het gebied voor het eerst aangeduid als de Oude Bleek. Oud betekent in dit geval dus niet: het eerst opgericht, maar: het eerst verlaten. Bij het officieel vastleggen van de grenzen van de gemeente Egmond-Binnen in 1821 wordt de benaming Oude Bleek nog steeds gebruikt (9).


5. Detail van een waterschapskaart van 't Hoogh-Heemraedschap van de Uytwaterende Sluysen in Kennemerlandt ende West-Vrieslandt door Iohannes Douw, uitgegeven door Isaac Tirion in 1745. Datering 1680-1745. Ten westen van de Herenweg tegen de grens met Bakkum is een blekerij aangeduid als Bleyck. De percelen, in Afb. 1 aangegeven met Z, zouden later beschreven worden als 'Oude Bleek'. Bron: Zuiderzeecollectie, object nummer 004697, Zuiderzeemuseum, Enkhuizen.

Blekerij het Mooijvelt
Blekerij het Mooijvelt was de jongste van de Egmonder blekerijen en iets kleiner dan blekerij Tijdverdrijf. Het bedrijf dateert van na 1690 en wordt voor het eerst expliciet genoemd in 1724 als het, compleet met inventaris, wordt verkocht aan Claas Willemsz Schuyt. Aan het Mooijvelt is verder de naam verbonden van onder meer de uit de Achterhoek afkomstige Jan Hendrik Lieftink. Hij kocht in 1765 deze blekerij, waarop hij al in 1755 werkzaam was als 'gemene knecht' (10) en die hij vanaf 1759 samen met een compagnon had gehuurd. Lieftink overleed in 1787. Na de dood van zijn vrouw werd in 1806 de voormalige lijnwaadblekerij verkocht.

Vier blekerijen
Egmond kende dus in de loop der jaren in het totaal vier blekerijen. In 1665 of in het jaar waarin de bronnen voor het vervaardigen van de kaart van het graafschap Egmond werden afgesloten, waren het er twee: een naamloze blekerij ten westzuidwesten van Egmond-Binnen en de blekerij Tijdverdrijf. In de jaren daarna kwamen er nog twee blekerijen bij: op de Zuiderbuurt en het Mooijvelt. Er waren rond 1700 dus vier blekerijen in bedrijf. Na het afbranden van de blekerij op de Zuiderbuurt in 1726 en het beëindigen van de werkzaamheden, waren er ten tijde van de aardrijkskundige tekstuitgave uit 1750 nog drie blekerijen over. In het Vaderlandsch Woordenboek, dat in 1785 uitkwam, worden nog slechts twee blekerijen vermeld. (3). Dat kan als Lieftink de activiteiten van de blekerij Mooijvelt enkele jaren vóór zijn overlijden in 1787 beëindigde of als Valkering de 'blekerij zonder naam' enkele jaren voor hij haar verkocht, niet meer gebruikte. In 1800 was alleen blekerij Tijdverdrijf nog over, die vrij snel daarna haar deuren sloot, als ze toen niet al dicht was (1).

Het einde van de blekerijen
In de tweede helft van de achttiende eeuw verdwenen de linnenblekerijen niet alleen uit Egmond. Ook andere linnenblekerijen rond Haarlem raakten na 1730 meer en meer in verval. Er was concurrentie uit het buitenland, waar andere productie-, bleek- en handelscentra opkwamen. Verder werd linnen steeds vaker vervangen door katoen. In Egmond en andere delen van Noord-Holland kwam aan de plaatselijke bloei mede een einde door de Engels-Russische invasie tijdens de zogeheten 'Vergeten Oorlog' van 1799.
Het kadaster 1832 kent in Egmond geen grondeigenaren meer met als beroep bleker en geen percelen die worden aangeduid als blekerij (11). Het Aardrijkskundig woordenboek uit 1842 meldt expliciet dat de - volgens de auteur - drie blekerijen die ooit in Egmond gevestigd waren, niet meer bestaan (12). Zo was er een einde gekomen aan een eens bloeiende tak van nijverheid in Egmond.

Voetnoten
1. Regtdoorzee Greup-Roldanus, S.C.: Geschiedenis der Haarlemmer Blekerijen, Haarlem 1936.
2. Wagenaar, J. e.a.: Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel 8, Amsterdam, 1750, p 355.
3. Kok, J., Vaderlandsch woordenboek, deel 13, Amsterdam 1785, p 170.
4. Berg, W.J. van den: Historisch Kadaster van de Binnen Egmonden (vier delen), uitgeverij Bolwerk, Utrecht 1985.
5. We gebruiken hier de namen van de blekers, zoals gegeven in (4) p 1361.
6. Mulder, M.: Blauwselmolens in Egmond, Geestgronden 23 (2016), No 2/3, p 81-89.
7. Veenhuysen, J.: Papier uit Egmond, een wereldberoemd product, Geestgronden 15 (2008), No 2/3, p 66-73.
8. fi-donc.nl
9. Floor, K.: De buitengrenzen van Egmond binnen, Geestgronden 24 (2017), No 2/3, p 72-78.
10. Sminia-Wouters, A.G.P. en Zuurbier, S.P.A.: De Castricumse familie Liefting, Jaarboek Oud Castricum, 1 november 1991, p 29-51.
11. Oorspronkelijke aanwijzende tafels Egmondbinnen. Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
12. Aa, A.J. van der: Aardrijkskundig woordenboek, Vierde Deel, Vijfde Aflevering, Gorinchem 1842, p 88.