
Kees Floor 2011. Tekst presentatie cursussen weerkunde.
De atmosfeer is een en al beweging. Dat kun je bijvoorbeeld zien als je een animatie van satellietbeelden bekijkt (figuur 1). De optredende luchtstromingen hangen samen met temperatuurverschillen die zich op aarde voordoen. Zo worden luchtstromingen op wereldschaal veroorzaakt door temperatuurverschillen tussen de gebieden rond de evenaar en de poolstreken. Hieronder gaan we eerst na hoe die temperatuurverschillen ontstaan. Daarna beschrijven we de luchtcirculaties die eruit voortvloeien. Vervolgens zoomen we in op wat er gebeurt op gematigde breedten, waar vooral depressies met fronten het weerbeeld bepalen.
|
|
![]() |
|
|
|
Energie van de zon
De energie om al die luchtbewegingen te doen plaatsvinden, wordt geleverd door
de zon. Deze zendt energie en warmte uit in alle richtingen. Een deel daarvan
wordt ingevangen door de aarde (figuur 2). In de buurt van de evenaar komt meer
energie van de zon op het aardoppervlak terecht dan bij de pool (figuur 3a).
Dat komt doordat het zonlicht min of meer loodrecht op het aardoppervlak invalt
aan de evenaar en schuin invalt bij de polen (figuur 4). Elke bundel zonlicht
bevat evenveel energie, maar bij loodrechte inval komt die energie ten goede
aan een kleiner oppervlak dan bij schuine inval. Vergelijk in de figuur het
aantal bundels zonlicht dat terecht komt op het rode oppervlak als dat zich
op de noordpool bevindt met een positie bij de evenaar (instellen met de knop
onderaan). De situatie is vergelijkbaar met die van een zaklamp, die eerst schuin
op de muur is gericht (figuur 5) en daarna loodrecht erop (verplaats de zaklamp
met de muis).
|
5. Vergelijk met een zaklamp. Zet
de zaklamp met de muis hoger of lager. (groter).
|
|
Warmtestraling van de aarde
Om nu al te concluderen dat er meer zonnewarmte terecht komt op de evenaar en
dat het daardoor warmer is in de tropen, is wat voorbarig. De binnenkomende
warmtestroom is namelijk niet de enige waarmee we te maken hebben. Zou dat het
geval zijn, dan zou de aarde steeds verder opwarmen.
Elk voorwerp met een temperatuur boven het absolute nulpunt van min 273 graden
zendt echter warmtestraling uit; de aarde doet dat dus ook (figuur 6). Zo raakt
de aarde dus ook weer warmte kwijt.
![]() ![]() |
![]() |
|
| 7. Stralingsbalans. De hoeveelheid door de aarde uitgezonden warmtestraling is min of meer gelijk aan de hoeveelheid netto ontvangen zonnestraling. |
|
Stralingsbalans
In eerste benadering heeft de aarde als geheel een min of meer constante temperatuur.
Dat kan alleen als er ongeveer evenveel warmte verdwijnt als er binnenkomt;
binnenkomende straling en uitgaande straling moeten in evenwicht, in balans
zijn. Men spreekt wel van de stralingsbalans van de aarde (figuur 7); die geeft
aan dat de aarde inderdaad ongeveer evenveel warmtestraling uitzendt naar de
wereldruimte als er effectief binnenkomt aan zonnestraling. De effectief binnenkomende
hoeveelheid straling is wat er binnenkomt aan de rand van de atmosfeer min wat
er door bewolking of door het aardoppervlak wordt teruggekaatst naar de wereldruimte
(figuur 8).
Netto straling
Om te weten of een gebied op aarde opwarmt danwel afkoelt, moeten we dus niet
alleen nagaan hoeveel straling er binnenkomt (figuur 3a),
maar ook hoeveel er weer verdwijnt (figuur 3b). Het
verschil hiertussen heet netto straling (figuur 3c).
Als in een gebied de netto straling positief is, komt er meer straling binnen
dan eruit gaat en warmt het dus op. In figuur 3c zien
we dat de netto straling in de tropen en subtropen groter dan nul is (rood en
geel), zodat het daar relatief warm is. De poolstreken raken meer warmte kwijt
dan er binnenkomt (blauwe tinten); daar is het dus relatief koud.
|
|
|
|
|
|
|
Luchtcirculatie
De verdeling van de netto straling over het aardoppervlak, zoals weergegeven
in figuur 3c, zou normaal gesproken moeten leiden tot steeds verder opwarmende
tropen en subtropen en steeds verder afkoelende poolgebieden. Toch blijkt dat
niet het geval en stelt zich een situatie in met een temperatuurverdeling zoals
weergegeven in figuur 9. Hoe kan dat?
Dat komt doordat de temperatuurverschillen op aarde luchtcirculaties op gang
brengten; deze maken dat de temperatuurtegenstellingen tussen polen en evenaar
beperkt blijven.
Warme lucht is lichter dan lucht in de omgeving en stijgt daardoor op (figuur
10). Er kan een luchtcirculatie ontstaan zoals in de kamer van figuur 11. Overeenkomstig
daarmee zou je op aarde een luchtcirculatie verwachten zoals weergegeven in
figuur 12. Zo'n luchtcirculatie noemt men een hadleycel; ze wordt in deze vorm,
met op het noordelijk halfrond uitsluitend noordenwinden, niet waargenomen.
|
13. Algemene circulatie (aarde draait
niet, geen corioliseffect) (groter)
|
14. Algemene circulatie (draaiende
aarde) (groter)
|
Drie cellen
In werkelijkheid vinden we niet slechts één, maar drie circulatiecellen
per halfrond (figuur 13). Bij de warme evenaar (doldrums) vinden we opstijgende
lucht, die op grotere hoogte in de richting van de polen beweegt, vervolgens
in de subtropen daalt naar het aardoppervlak (paardenbreedten, horse latitudes)
en terugstroomt richting evenaar. Deze circulatie doet sterk denken aan de Hadleycel,
maar bestrijkt een kleiner gebied. Hadleycellen vinden we ook in de poolstreken.
Tussen de beide cellen in bevindt zich op beide halfronden een minder uitgesproken
cel met omgekeerde draairichting. Merk op dat de figuur in de gebieden met hadleycellen
op het noordelijk halfrond noordenwinden geeft; op de gematigde breedten zijn
zuidenwinden aangegeven.
Figuur 14 lijkt op figuur 13, maar nu zien we op het noordelijk halfrond tussen
de evenaar en de subtropen noordoostenwinden, de zogeheten noordoostpassat.
Op gematigde breedten, de zogeheten gordel van westenwinden, is de windrichting
zuidwest. Klik eerst op de knop Ideal Hadley Cell om de hadleycirculatie te
zien. Klik vervolgens op de knop Mitlatitude components om de op gematigde breedten
heersende winden te bekijken.
![]() |
||
|
|
|
Draaiende aarde
Het verschil tussen de figuren 13 en 14 is dat de aarde in figuur 13 stilstaat
en in figuur 14 rond haar as draait. Door de draaiing van de aarde buigt de
wind op het noordelijk halfrond af naar rechts. Dit effect staat bekend als
het corioliseffect of het effect van de afbuiging door de aardrotatie (zie
figuur 15). Het effect levert mede een bijdrage aan het ontstaan van de gordel
van westenwinden op gematigde breedten; Nederland en België bevinden
zich in deze zone. We richten in het nu volgende onze aandacht op wat er gebeurt
in die zonen met westenwinden.
Gematigde breedten
In de gordel van westenwinden drijven talrijke depressie van west n aar oost;
deze bepalen het weer in die zone voor een belangrijk deel. Hoewel de windrichting
aan de grond in onze omgeving gemiddeld over langere perioden zuidwest is,
komen er in kortere tijdsintervallen als gevolg van die depressies allerlei
andere windrichtingen voor.
Naast waarnemingen van de windrichting kan ook het isobarenpatroon helpen
de windrichting te bepalen. De wind waait namelijk min of meer evenwijdig
aan de isobaren en tegen de wijzers van de klok in rond lagedrukgebieden en
met de wijzers van de klok mee rond hogedrukgebieden (figuur 16). (zie verder
het artikel 'Luchtdruk, weerkaart en satellietbeeld' of het wat dieper gaande
'Luchtdruk en wind', hoofdstuk 5 van 'Weerkunde, Meteorologie voor iedereen').
Daardoor staan er aan de voorkant van een depressie zuidwestenwinden, waarmee
zachte lucht naar het noorden wordt gevoerd (figuur 17, rode pijl). De voorste
begrenzing van die zachte lucht noemt men het warmtefront; het wordt op de
weerkaart weergegeven in rood en met halve, opgevulde bolletjes aan de kant
waar het front heen beweegt
.
Aan de achterzijde van de depressie stroomt koude, van de noordelijke oceaan
of uit de poolstreken afkomstige lucht naar het zuiden (blauwe pijl). De voorste
begrenzing van de koude lucht is het koufront; het wordt op de weerkaart weergegeven
in blauw en met opgevulde driehoekjes aan de kant waar het front heen beweegt.
(
,
figuur 18). Doordat de depressies op deze manier in de atmosfeer roeren, worden
de temperatuurverschillen tussen noord en zuid verkleind.
|
|
||
|
|
|
Fronten
De grenzen tussen de warme en de koude lucht staan niet loodrecht op het aardoppervlak,
maar verlopen schuin (figuur 19). Naast de draaiing van de aarde speelt hierbij
een rol dat de warme lucht lichter is dan de koude (figuur 20) en de neiging
heeft 'over de koude lucht heen te kruipen'. Tegelijkertijd wrikt de koudere
lucht zich door zijn grotere gewicht onder de warme lucht.
In figuur 21 is de schuine stand van het koufront en het warmtefront ook weer
terug te vinden. In de figuur is tevens de bij een frontale zone behorende
bewolking en neerslag ingetekend.
Een koufront trekt doorgaans sneller dan een warmtefront (figuur 22). Waar
het koufront het warmtefront heeft ingehaald, bevindt zich het occlusiefront;
het wordt weergegeven in paars met beurtelings de symbolen van het warmtefront
en het koufront. Ook occlusies gaan vergezeld van bewolking en neerslag. In
de doorsnede (klik op het vierkantje rechts onder de tekst LOW in figuur 22)
is dat goed te zien. Een occlusie doet zich meestal voor in het eindstadium
van de levensloop van een depressie (vergelijk figuur 23).
|
|
|