Kennisbijeenkomst 'Doe
meer met het weer'
(Weerkunde voor spuitlicentiehouders)
Het
weerbericht
Het weerbericht is vaak gericht op een algemeen
publiek en geeft veelal gemiddelden voor het hele land. Het is belangrijk zélf
de vertaling te kunnen maken naar je eigen bedrijf, je eigen bedrijfsvoering en
je eigen omstandigheden. Jaargetijde, afstand tot de kust, grondsoort en eigenschappen
van het landoppervlak in de richting waar de wind vandaan komt spelen allemaal
een rol. Intypen van een postcode bij een weerprovider om zo een zogenaamde 'maatwerk-verwachting'
te krijgen is niet genoeg; je moet zelf snappen hoe het zit.
Weersverwachtingen
maken en gebruiken betekent: omgaan met onzekerheden. Wat mag je wél verwachten
van een weersvoorspelling en wat niet. Zitten ze er altijd naast, of kunnen we
uit de weerberichten toch datgene halen wat we net nodig hebben en zo onze bedrijfsvoering
verbeteren.
Temperatuur
en straling
In de weerkunde worden verschillende temperaturen
onderscheiden. De temperatuur van de lucht op de gebruikelijke meethoogte is anders
dan die vlak bij de grond. Ook bodem, aardoppervlak en gewas hebben elk een eigen
temperatuur. De temperatuur wordt sterk beïnvloed door instraling van zonnewarmte
en uitstraling van warmte door het aardoppervlak.
De
wind
De wind vertoont een grillig gedrag. Windrichting en windsnelheid
variëren voortdurend rond de gemiddelde waarden die in de verwachting zijn
opgegeven. De waarden gelden voor een standaardmeethoogte van 10 meter, dus niet
voor spuitboomhoogte. In de kuststrook of boven open landschappen waait het -
bij eenzelfde windverwachting - harder dan landinwaarts of in beschut terrein.
Verder vertoont de wind een dagelijkse gang, die direct samenhangt met de instraling
van de zon. De zonnestraling hangt op haar beurt ook af van het moment van de
dag. Overdag staat er doorgaans meer wind dan tegen de avond of rond zonsopkomst.
Bovendien is de wind dan meestal vlageriger.
Bij zonnig, windstil weer stijgt
warme lucht van het land omhoog in bellen. Onder dergelijke omstandigheden komen
de middelen die we gebruiken, af en toe terecht op onverwachte en ongewenste plekken;
soms zitten we er dan opeens zelf middenin!
Regen
en buienradar
Regen kun je zien aankomen. Voor morgen
en meer dagen vooruit gebruik je de weerberichten of een keur aan gedetailleerder
weerinformatie. Voor regenverwachtingen tot enkele uren vooruit is de buienradar
ideaal. Je moet dan wel weten wat zo'n buienradar kan en niet kan. Het beeldveld
is beperkt, zodat het einde van een regengebied soms niet het échte einde
blijkt te zijn. Verder is regen die in de lucht zit, soms verdampt voor hij op
aarde kan vallen; dan geeft de buienradar vals alarm. Regenzones van fronten veranderen
niet snel; je kunt de buienradar in zo'n geval gebruiken tot vier à zes
uur vooruit om te bepalen of het gaat regenen of juist droog wordt. In buiensituaties
gaan de veranderingen veel sneller. Buien kunnen uitdoven en er kunnen nieuwe
buien ontstaan. Daardoor is de buienradar in buiensituaties slechts bruikbaar
tot hooguit twee uur vooruit.
Dauw
Regenen doet het gemiddeld om de andere dag. Dauw daarentegen treedt op in
70% van de nachten. Hoewel er 20 keer meer regen valt dan dauw, is de dauw daardoor
toch een belangrijke factor bij de uitvoering van gewasbeschermingsmaatregelen.
Dauw maakt het gewas namelijk nat in de vroege ochtend, als er doorgaans relatief
weinig wind staat. Bovendien is het aantal dauwnachten het grootst in augustus
en september, als de gewassen het kwetsbaarst zijn voor schimmels en infecties.