Hoofstuk 9: Niet-meteorologische invloeden op het weer
9.1 inleiding
Het weer wordt bepaald door zowel meteorologische factoren
als door niet-meteorologische. Voorbeelden van meteorologische factoren zijn:
zonnestraling, luchtstromingen en het vocht in de atmosfeer; bij niet-meteorologische
factoren kun je denken aan geografische ligging, terreinomstandigheden en bodemgesteldheid.
In dit hoofdstuk worden eerst de meteorologische factoren summier aangestipt;
daarna komen de niet-meteorologische factoren uitgebreid aan de orde.
9.2
de weermotor
Elke dag weer ervaren we dat de dampkring of atmosfeer voortdurend
in beweging is en dat het weer steeds sterk wisselt. Er zijn drie meteorologische
oorzaken van het weer, die samen als het ware de weermotor vormen:
![]() | ![]() |
![]() |
9.3 andere factoren
Zonnewarmte, luchtstroming en vocht zijn de belangrijkste meteorologische factoren
die het gedrag van de atmosfeer en van het weer bepalen; het zijn echter niet
de enige. De volgende niet-meteorologische invloeden zijn aan te wijzen; soms
zijn de effecten sterk, dan weer zwak, soms over grote gebieden, dan weer heel
plaatselijk:
![]() Geografische factoren | ![]() Terreinomstandigheden | ![]() Bodemvochtigheid. |
9.4 verschillende
schalen
De genoemde niet-meteorologische factoren beïnvloeden het
weer zowel op de grote schaal als op de kleine. Bij grootschalig denken we aan
gebieden van honderden of duizenden kilometers doorsnede, dus van dezelfde omvang
als depressies en hogedrukgebieden. Bij de kleine schaal gaat het om een omvang
van enkele tientallen kilometers of minder; dat is bijvoorbeeld de schaal van
een regen- of sneeuwbui. Op nog kleinere schaal, dat wil zeggen over gebieden
met afmetingen in de orde van meters, en zelfs op microscopisch kleine schaal
kent het weer eveneens niet meteorologische invloeden. Voor het wegbeheer is vooral
het weer dat varieert van de vrij kleine schaal met afmetingen van tientallen
tot honderden meters (mistbanken, windstoten) tot de grote schaal met afmetingen
van honderden meters tot honderden kilometers (buien, mistvelden, fronten, hoge-
en lagedrukgebieden) interessant. De niet-meteorologische invloeden worden in
de volgende paragrafen uitvoeriger besproken.
9.5 geografische
omstandigheden
Vooral de geografische breedte van een plaats is uiterst
belangrijk voor het weer dat men daar mag verwachten. De hoeveelheid zonnestraling
die binnenkomt, hangt daar namelijk direct mee samen.
Zo schijnt de zon in
Nederland gedurende de wintermaanden slechts ongeveer acht uur, terwijl dat in
de zomer maar liefst een uur of veertien is. Ook staat de zon 's winters veel
lager aan de hemel dan 's zomers zodat de hoeveelheid zonnestraling die Nederland
in de winter treft veel en veel kleiner is dan in de zomer. Enerzijds moet de
straling namelijk een langere weg afleggen door de dampkring, anderzijds is ook
de hoek waaronder de straling invalt minder gunstig, zoals we later in het hoofdstuk
over straling zullen zien. De breedte-afhankelijkheid van de hoeveelheid binnenkomende
zonnestraling, veroorzaakt het directe verband dat er is tussen geografische breedte
en temperatuur. De hoeveelheid energie die door de aarde uitgestraald wordt, is
namelijk voor alle geografische breedten min of meer gelijk; ze verschilt ook
niet zoveel in zomer en winter.
Van belang is verder de ligging van een plaats
ten opzichte van de zee. Zeeën verdampen grote hoeveelheden vocht; ook varieert
de temperatuur van het zeewater gedurende het jaar minder sterk dan die van het
vasteland. Als gevolg hiervan ondervindt Nederland de sterk matigende invloed
van de oceaan en de Noordzee op het klimaat: we hebben geen extreme kou en geen
uitzonderlijke hitte; ook is er gewoonlijk voldoende vocht om van tijd tot tijd
neerslag mogelijk te maken. Onze winters kennen dan ook vaak een wisselvallig
en grillig karakter. Gladheid ten gevolge van opvriezen en bevriezen van natte
weggedeelten speelt daardoor een even belangrijke rol als gladheid veroorzaakt
door sneeuw of ijzel. Op kleine schaal vinden we de invloed van het water eveneens
enigszins terug, zij het in veel mindere mate, bij de ligging van een plaats ten
opzichte van water (denk aan plaatsen dicht bij de rivieren, IJsselmeer en Friese
meren die gevoelig zijn voor mist en dergelijke).
9.6 terreinomstandigheden
Wisselende terreinomstandigheden worden veroorzaakt doordat obstakels die de luchtstroming
belemmeren, op de ene plaats talrijker zijn dan op de andere. Grote watervlakten,
zoals de Friese meren, zijn tamelijk glad, waardoor de lucht er ongehinderd overheen
kan stromen en de wind niets in de weg wordt gelegd. Een zandvlakte of grasvlakte,
zoals de IJsselmeerpolders, is een stuk minder glad dan een wateroppervlak; de
luchtstroming ondervindt daarvan al wat meer hinder, al is het effect nog maar
klein. Anders wordt het als er hier en daar verspreid struiken of bomen in het
terrein staan (bomen langs de wegen in polders). De wind moet daar dan over- en
omheen en dat gaat niet zo gemakkelijk: de luchtstroming wordt erdoor gehinderd.
Het terrein is een stuk 'ruwer' dan een grasvlakte of een wateroppervlak. Nog
lastiger wordt het als er geen sprake is van verspreide obstakels, maar als er
tamelijk veel bomen en struiken staan. Deze hebben dan bovendien vaak nog verschillende
afmetingen, zowel in hoogte als in breedte en lengte; denk bijvoorbeeld aan bomenrijke
gebieden (geen aaneengesloten bossen) in Noord-Brabant, Limburg en het oosten
van het land. De luchtstroming wordt daar sterk gehinderd en afgeremd. Ook de
richting van de door obstakels verstoorde luchtstroming varieert in dit tamelijk
ruwe terrein ten opzichte van de richting van de ongehinderde luchtstroming. Een
stuk grond met bebouwing, zoals in een dorp of stad of bos, hindert de luchtstroming
nog meer en is nog ruwer. In het hoofdstuk over de wind zullen we zien dat de
'ruwheid' van het terrein belangrijk is voor het weer op kleinere schaal. In de
figuur zijn vier klassen van ruwheid weergegeven, namelijk erg glad (watervlakten,
onbebouwd polderland), tamelijk glad (polderland nabij wegen met bomen, her en
der verspreide boerderijen), tamelijk ruw terrein (bomenrijke omgeving, maar geen
aaneengesloten bossen of verspreide bebouwing) en erg ruw terrein (bos, stad).
![]() Tamelijk open landschap | ![]() Zeer ruw landschap | ![]() |
Voor elk van deze klassen is een terrein geschetst
dat als voorbeeld kan dienen. Bedenk wel dat er natuurlijk een geleidelijke overgang
is van de ene ruwheidklasse naar de andere.
De ruwheid van het terrein is
niet de enige factor waarmee rekening gehouden moet worden. Van belang is het
ook om te weten of een terrein of een weg al dan niet vlak ligt en zo ja, welke
kant het geheel op helt. Een helling op het noorden blijft langer koud dan een
weg die overdag zon kan vangen. Verder speelt een rol of de omgeving van de weg
(tamelijk grootschalig gezien) in een dal of op een heuvel ligt. Zo zal een terrein
dat in een dal ligt (bijvoorbeeld rond de snelweg tussen Amersfoort en Apeldoorn)
een verzamelplaats zijn voor koudere lucht; koude lucht is namelijk zwaarder dan
wat warmere lucht en heeft daardoor de neiging langs de helling van het terrein
naar beneden te zakken, onder de warmere lucht door te schuiven en zich dan onderin
het dal te verzamelen.
| 9.7 bodemgesteldheid De bodem oefent zijn invloed vooral uit door zijn stralings- en thermische eigenschappen. Zoals we in het hoofdstuk over straling nog zullen zien, wordt op het aardoppervlak vallende zonne-energie grotendeels gebruikt om de bodem op te warmen. Het aardoppervlak raakt daarna door uitwisselingsprocessen die warmte weer kwijt aan de lucht erboven, die daardoor opwarmt. Tevens verdwijnt er via geleiding een deel van de warmte de bodem in; deze wordt daar opgeslagen. Is het aardoppervlak echter veel kouder dan de bodem, dan staat de bodem weer warmte aan het oppervlak af. Voor deze processen is zowel het vermogen van de bodem om warmte op te slaan, de zogeheten warmtecapaciteit, als het warmtegeleidingvermogen van de bodem van belang. De warmtegeleiding bepaalt daarbij hoe snel warmte door de bodem wordt opgenomen of afgestaan. Dit kan bijvoorbeeld een grote rol spelen bij het glad worden van een wegdek. Als de afkoeling sterk is, kan het wegdek nat worden door condensatie van vocht uit de atmosfeer. Ook kan de temperatuur onder nul komen, waardoor het vocht bevriest en het wegdek glad wordt. Soms kan de warmte die uit de bodem naar het aardoppervlak komt, net genoeg zijn om te verhinderen dat de temperatuur onder nul komt. Even verderop koelt het wegdek van een brug, dat geen bodem onder zich heeft om warmte uit te putten, wel tot onder nul af, zodat daar het natte wegdek bevriest en glad wordt. Er wordt echter maar een gedeelte van de zonnestraling in warmte omgezet in het bovenste laagje van de bodem. Een deel wordt gereflecteerd en een gedeelte dringt direct door tot wat diepere lagen. Zo is een zandbodem niet transparant en zal de zonnestraling slechts in een dun laagje van hooguit een paar millimeter dikte doordringen en dat laagje dan ook sterk opwarmen ('s zomers aan het strand in de felle zon, kun je je voeten op het hete zand branden; 's winters duurt het lang voordat de vorst uit de grond is). Water is echter wel tamelijk transparant en de binnenvallende zonnestraling warmt een dikke laag water op. Het wateroppervlak wordt dan ook niet zo sterk opgewarmd, maar wel wordt er veel warmte opgeslagen doordat de warmte over een dikke laag verdeeld wordt. De stralingseigenschappen voor zonnestraling van de bodem, zijn hierbij dus van groot belang. Is de zonnestraling eenmaal in bodemwarmte omgezet, dan wordt ook weer een groot gedeelte van die warmte door de bodem afgegeven in de vorm van straling; deze zogeheten infrarode straling kunnen we, in tegenstelling tot de straling van de zon, niet zien. Dus ook de stralingseigenschappen van de bodem in het infrarood zijn van belang. Een mooi voorbeeld bieden de stralingseigenschappen van sneeuw. Sneeuw reflecteert vrijwel alle zichtbare licht en absorbeert weinig of niets; sneeuw is dan ook wit. Diezelfde sneeuw absorbeert echter praktisch alle aardse (infrarode) straling en kan die straling tevens goed uitzenden. Dat is ook de reden dat het 's winters boven een sneeuwdek veel sterker afkoelt dan boven grond waar geen sneeuw ligt. | ![]() Satellietbeeld van Nederland. Wit is koud. De Hollandse duinen zijn het sterkst afgekoeld. Verder zijn sporen zichtbaar van sneeuw, achtergelaten door buien die het land binnentrokken en vervolgens uitdoofden. |
9.8
bodemvochtigheid
Door verdamping wordt vocht, dat een cruciale rol speelt
bij de vorming van gladheid, uit de bodem in de atmosfeer gebracht. Daarvoor is
ook het vochtgehalte van de bodem van belang en natuurlijk de aanwezigheid van
water (plassen, rivieren, meren). De capaciteit van een bodem om vocht te bevatten
en beschikbaar te hebben voor verdamping, hangt af van de structuur van de bodem.
Maar het daadwerkelijke vochtgehalte hangt af van het weer. Zo zal een zandbodem
na fikse regen veel vocht bevatten; het vocht wordt meestal echter snel afgevoerd
naar diepere lagen, zodat er niet zoveel tegelijkertijd beschikbaar is voor verdamping.
Op kleigrond blijft het water vaak staan en het wordt moeilijk en langzaam afgevoerd;
er is dan veel vocht beschikbaar voor verdamping. Als het daarentegen lang droog
is, verliest een bodem langzamerhand het vocht en droogt uit; er is dan weinig
of niets meer beschikbaar voor verdamping. Iets dergelijks speelt een rol bij
het verschil in gedrag tussen gewoon asfalt en zoab. Gewoon asfalt heeft weinig
poriën en neemt weinig water op. Zoab daarentegen neemt veel water op in
de poriën. Dit water kan verdampen en op het wegdek condenseren. Bij afkoeling
kan dan bevriezing en gladheid optreden.
9.9 onderlinge
samenhang
Het zal duidelijk zijn dat de in dit hoofdstuk besproken factoren
niet onafhankelijk van elkaar werken, maar elkaar onderling ook beïnvloeden.
Zo zal op een warme zomerse dag de temperatuur op zandgronden sterk oplopen. Als
er boven een vochtige bodem of in de buurt van meren veel vocht beschikbaar is
voor verdamping, dan kan dat bij 'gunstige' wind de lucht boven de zandgronden
extra vochtig maken. Zoals we later zullen zien kan dit leiden tot wolkenvorming
en er kunnen mogelijk zelfs buien ontstaan.
Grasland daarentegen, zal onder
dezelfde omstandigheden niet zo warm worden, waardoor daarboven niet zo gemakkelijk
wolken en buien ontstaan. We zien dat de bodemgesteldheid, de terreinomstandigheden
en het vocht in de bodem dan allemaal belangrijk zijn.
Bij mistvorming is
dat vaak nog sterker. Daar zijn terreinomstandigheden en aanvoer en/of aanwezigheid
van vocht en mate van energie-uitstraling door het aardoppervlak erg belangrijk.