Hoofdstuk
8: Dagelijkse gang.
Laatste wijziging: 2 juli 2002
8.1 Inleiding
Evenals eb en vloed een dagelijks ritme vertonen, veranderen
ook temperatuur, wind en bewolking volgens een dagelijks patroon. Sommige van
die patronen zijn ook zichtbaar op het gladheidsmeldsysteem GMS. De veranderingen
van de verschillende grootheden hangen onderling samen. In dit hoofdstuk wordt
het dagelijkse ritme van die weerelementen behandeld.
8.2 Gang van de
zonnestraling en de aardse straling
In het hoofdstuk over warmte, straling
en temperatuur is aan de orde geweest dat zowel de zonnestraling als de aardse
straling een belangrijke invloed heeft op het weerverloop van elke dag. Naarmate
de zon hoger aan de hemel staat, wordt meer zonnestraling ontvangen. Dus vanaf
zonsopkomst neemt de hoeveelheid zonnestraling toe, bereikt haar maximum rond
het middaguur om vervolgens weer af te nemen als de zon geleidelijk lager komt
te staan. Gedurende de nachtelijke uren, als het donker is en de zon onder is,
wordt geen directe zonnestraling ontvangen. In de winter staat de zon in Nederland
laag aan de hemel, zodat veel minder straling binnenkomt dan in de zomer. Verder
is de daglengte veel korter: ongeveer 8 uur tegen 's zomers zo'n 16 uur; ook daardoor
wordt er veel minder straling ontvangen. In de figuren is het dagelijkse verloop
van de hoeveelheden zonnestraling die het aardoppervlak bereiken op een heldere
dag weergegeven; tevens is de dagelijkse gang van de door de aarde uitgezonden
warmtestraling aangegeven.
![]() |
![]() |
|
![]() |
| 8.3 Uitstraling door de aarde 8.4 Dagelijkse gang van de temperatuur |
Figuur: Dagelijkse gang van de temperatuur (rood), de inkomende zonnestraling (geel) en van de door de aarde uitgezonden straling (blauw). Doordat er ook na het middaguur nog meer straling binnenkomt dan er verdwijt, duurt de opwarming de eerste helft van de middag gewoon voort, ook al staat de zon niet meer op het hoogste punt. |
8.5 Invloed op massakarakter
Eigenlijk is het massakarakter
een eigenschap van de luchtsoort; de temperatuur van de lucht is in een bepaalde
luchtsoort namelijk een tamelijk vast gegeven. De temperatuur van het aardoppervlak
is dat echter niet; daardoor kan het aardoppervlak het karakter van een luchtsoort
veranderen. Juist de zonnestraling en de aardse straling hebben een grote invloed
op de temperatuur van het aardoppervlak en daarmee ook op het massakarakter van
de lucht. Op dagen met veel bewolking wordt zowel de instraling van de zon als
de uitstraling door de het aardoppervlak getemperd. Op die dagen verandert er
dan ook niet zoveel in het massakarakter van de lucht. Op wolkenloze dagen of
dagen met weinig bewolking hebben de zonnestraling en aardse straling daarentegen
een grote invloed op het massakarakter van de lucht; vaak verandert het karakter
in de loop van de dag: overdag is de temperatuur van het aardoppervlak hoger dan
de temperatuur van de lucht en is er sprake van koude massa; in de avond en nacht
zakt de temperatuur van het aardoppervlak onder die van de lucht en verandert
de lucht van koude massa in warme massa. Wind en bewolking zijn op hun beurt weer
gekoppeld aan het massakarakter, zoals in de volgende paragrafen zal blijken.
8.6 Dagelijkse gang van de wind

Overdag neemt de lucht boven het door zonnestraling sterk opgewarmde aardoppervlak gemakkelijk de eigenschappen aan van koude massa. In die koude massa kunnen luchtbellen die aan het aardoppervlak ontstaan en die wat warmer zijn dan hun omgeving, loslaten en opstijgen. De lucht wordt daardoor sterk turbulent en de wrijving neemt af. Daardoor neemt de gemiddelde windsnelheid toe. Naarmate de zon hoger komt, wordt het temperatuurverschil tussen lucht en aardoppervlak groter en neemt de turbulentie verder toe. Vooral als het niet te hard waait, is de dagelijkse gang van de wind duidelijk te zien: In de loop van de ochtend neemt de windsnelheid geleidelijk toe en wordt de wind tegelijkertijd vlageriger. Rond de middag, als de zon op z'n hoogst staat, is de wind ook op z'n sterkst. Als in de namiddag de zon weer zakt, neemt de wrijving weer toe en neemt de windsnelheid geleidelijk af. In het zomerhalfjaar zien we heteluchtballonnen vaak profiteren van die windafname later in de middag. Rond zonsondergang, als de zonnestraling nog maar weinig voorstelt en de afkoeling door uitstraling op gang komt, verandert het massakarakter van koude in warme massa. In warme massa wordt de turbulentie van de wind sterk onderdrukt. De wrijving neemt toe en de wind zwakt af. Vooral in de winter kan de wind na zonsondergang vrijwel helemaal wegvallen en wordt het zo goed als windstil. De nachtelijke afkoeling zet dan sterk door. Dergelijke situaties zijn het meest uitgesproken als er gemiddeld windkracht 3 tot 4 staat; de wind kan dan 's avonds bijna geheel wegvallen. Dit komt nogal eens voor als depressies en hogedrukgebieden niet veel van plaats veranderen. De wisselwerking tussen de temperatuur van het aardoppervlak en de wind is nu ook duidelijk. Overdag voert de turbulentie van de wind de warmte van het aardoppervlak af, zodat de temperatuur daarvan niet al te sterk oploopt. De temperatuur op haar beurt regelt de sterkte van de turbulentie. Er stelt zich een evenwicht in tussen opwarming en turbulentie. 's Nachts is de wisselwerking er ook, maar nu in omgekeerde richting. Zolang er nog wat wind is en de bodem een lagere temperatuur heeft dan de lucht erboven, voert de wind warmte toe aan het aardoppervlak en is de afkoeling minder sterk. Naarmate de afkoeling echter doorgaat, neemt de wind ook verder af en wordt de afkoeling versterkt. Valt de wind geheel weg, dan houdt de warmtetoevoer zelfs op; het aardoppervlak koelt nog weer sterker af. Of de wind wel of niet wegvalt, hangt vaak van kleinigheden af; het evenwicht dat zich instelt tussen wind, bewolking, temperatuur, vochtigheid van de lucht en uitstraling is erg subtiel.
| 8.7 Dagelijkse gang van de bewolking
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
![]() |
![]() |
|
![]() |
8.8 Dagelijkse gang van de vochtigheid
De wind voert overdag
niet alleen warmte af van het aardoppervlak; er vindt ook vochtafvoer plaats.
's Nachts worden warmte en vocht toegevoerd. Het onttrekken van vocht aan het
aardoppervlak kost warmte: verdampingswarmte. Naarmate het aardoppervlak vochtiger
is, zal daarvoor meer warmte nodig zijn; dat werkt overdag een temperatuurstijging
tegen. Bij een nat wegdek zal de temperatuurstijging op die manier eerst beperkt
blijven, totdat alle vocht verdampt is; pas daarna kan alle zonnestraling gebruikt
worden voor verwarming. Aan het opdrogen van het wegdek levert overigens het verkeer
eveneens een belangrijke bijdrage. Doordat de temperatuur van de lucht vervolgens
sterk kan oplopen, zal de relatieve vochtigheid van de lucht in de loop van de
ochtend wat afnemen om in de middag, als de temperatuurstijging tot staan komt,
weer toe te nemen. 's Avonds en 's nachts zal op zeker moment, als de afkoeling
sterk genoeg is en de lucht voldoende vochtig, de temperatuur gelijk worden aan
de dauwpuntstemperatuur; vanaf dat tijdstip treedt verzadiging op van de lucht.
Bij verdere afkoeling zal dan dauw optreden en mogelijk mist ontstaan; eventuele
mist wordt afhankelijk van de verdere afkoeling meer of minder dicht. Ook hier
beïnvloedt het vocht zelf het proces sterk. Bij condensatie komt namelijk
warmte vrij, die de afkoeling juist weer tegenwerkt. Soms treedt er niet alleen
een warmtestroom op van de lucht naar de bodem, maar tevens een vochttransport.
Daardoor wordt het juist in de onderste laag van de atmosfeer vochtig. In het
algemeen zal in deze situatie het vocht neerslaan als dauw op bodem, wegdek, begroeiing
en voorwerpen.
![]() |
|
8.9 Lokale
effecten
Het dag- en nachtritme kan van plaats tot plaats grote verschillen
vertonen. De invloed van het terrein en de bodemgesteldheid (vochtigheid en stralingseigenschappen)
zijn juist onder de omstandigheden van rustig weer met sterk dag- en nachtritme
goed merkbaar. Het is niet voor niets dat vooral in het voorjaar en najaar er
veel plaatselijke mistbanken optreden en niet zoveel grote aaneengesloten mistgebieden.
Hetzelfde geldt voor het optreden van gladde wegen door bevriezing. Om die reden
moesten de meetlocaties van het GMS zorgvuldig worden uitgekozen; ze bevinden
zich op plaatsen die relatief gemakkelijk afkoelen en waar voldoende vocht in
de omgeving beschikbaar is.