Hoofdstuk 7: Straling
7.1 inleiding
De zon levert met
zijn zonnestraling alle energie die de luchtstromingen op aarde op gang houden.
Minder bekend is dat ook de aarde warmte uitstraalt; daarbij koelt het aardoppervlak
af. Binnenvallende zonnestraling en uitgaande aardse straling regelen samen met
factoren als de wind, bewolking en vochtigheid de temperatuur van lucht en aardoppervlak
dus ook van een wegdek. In dit hoofdstuk wordt die samenhang uitgelegd.
7.2
zonnestraling
De zon straalt haar energie uit bij een oppervlaktetemperatuur
van ongeveer 6000 graden C. Een klein deel van de uitgezonden energie valt op
de aarde en daarvan bereikt slechts ongeveer de helft het aardoppervlak. De andere
helft wordt teruggekaatst de ruimte in of geabsorbeerd en in warmte omgezet door
wolken en door gassen in de atmosfeer als waterdamp, koolzuurgas en ozon. De geabsorbeerde
energie wordt echter ook weer door de dampkring zelf uitgestraald de ruimte in,
zodat er daardoor nauwelijks temperatuurveranderingen in de atmosfeer optreden.
In figuur 1 is een en ander schematisch weergegeven.
De zonnestraling die
het aardoppervlak bereikt, wordt er gedeeltelijk geabsorbeerd en omgezet in warmte.
De mate van absorptie hangt sterk af van de aard van het aardoppervlak. Begroeide
en donkere delen, zoals bossen en asfalt, absorberen de straling; witte delen,
zoals sneeuw- en ijsvlakten, kaatsen haar terug. Van de straling die door het
oppervlak geabsorbeerd wordt, verdwijnt een klein gedeelte de bodem in; die straling
warmt zo diepere lagen in de bodem langzaam op. De rest van de door de bodem opgenomen
straling levert de energie om bodemvocht te verdampen en om de lucht vlak boven
het aardoppervlak op te warmen.
De hoeveelheid zonnestraling die we aan het
aardoppervlak op een vierkante meter ontvangen, hangt af van de afstand van de
aarde tot de zon en van de zonshoogte, zoals in figuur 2 is geschetst. Deze hoeveelheid
straling varieert dus in de loop van de dag en ook in de loop van het jaar.
De meeste zonnestraling gedurende een etmaal wordt rond de middag ontvangen, als
de zon op haar hoogst staat. Evenzo valt er 's zomers, als de zon hoog aan de
hemel staat, meer zonnestraling in dan 's winters.
![]() Zonnestraling en aardse straling. | ![]() Verdeling van de zonnestraling. | ![]() Zonshoogte en hoeveelheid opgevangen energie per m2. |
7.3
aardse straling
Het aardoppervlak en de atmosfeer zenden zelf ook onafgebroken
straling uit. Als de zon onder is, wordt geen zonnestraling meer ontvangen. Het
aardoppervlak gaat echter gewoon door met het uitstralen van warmte; ook blijft
het nog straling opvangen van de atmosfeer. Die straling is echter onvoldoende
om de afkoeling van het aardoppervlak tegen te houden. Doordat de aard van het
aardoppervlak van plaats tot plaats sterk varieert, zullen de uitstraling en daardoor
de nachtelijke afkoeling eveneens sterk wisselen van plaats tot plaats. De nachtelijke
afkoeling wordt echter niet alleen bepaald door uitstraling vanaf het aardoppervlak;
ook wind en eventueel aanwezige bewolking spelen een grote rol.
7.4 de
rol van de wind
De wind bepaalt heel sterk hoe de warmte van het aardoppervlak
aan de lucht wordt afgegeven. Lucht is zelf een goede isolator, zodat de warmte
vrijwel niet door geleiding overgedragen wordt; de wind brengt echter uitwisseling
met de bodem op gang van zowel warmte als vocht. Naarmate er meer wind is, is
die uitwisseling effectiever. Overdag, als de zon het aardoppervlak sterk opwarmt,
voert de wind de warmte af en draagt hij die over aan de lucht. Dat leidt er toe
dat de onderste luchtlagen gedurende de dag sterk opgewarmd worden. Op dezelfde
wijze bevordert de wind de verdamping vanuit een vochtige bodem; dit proces is
vergelijkbaar met droogwapperen van wasgoed in de wind.
Na zonsondergang
verandert de situatie. Het aardoppervlak koelt door uitstraling af, maar de lucht
erboven nauwelijks. Als het helder weer is met weinig wind, zal de temperatuur
van het aardoppervlak snel dalen. In het winterhalfjaar komt de temperatuur van
het aardoppervlak dan gemakkelijk onder het vriespunt. De lucht erboven koelt
echter niet zo sterk af. De temperatuur op enkele meters hoogte is onder dergelijke
omstandigheden in het algemeen wel vijf graden of meer hoger dan de temperatuur
vlak bij de grond.
Is de lucht erg vochtig, dan kan vlak bij de grond gemakkelijk
condensatie optreden doordat de lucht afkoelt tot het dauwpunt. Afhankelijk van
de windsnelheid leidt dit tot mist of tot dauwvorming. Is de temperatuur van de
bodem of van het wegdek dan al beneden het dauwpunt, dan zal het teveel aan vocht
veelal neerslaan als dauw. Het optreden van mist of dauw heeft echter een sterk
remmende invloed op de afkoeling; bij condensatie van waterdamp komt namelijk
veel warmte vrij, wat verdere afkoeling van de lucht tegen gaat. Is er iets wind,
dan zal die ervoor zorgen dat de lucht in de onderste meters gemengd wordt, waardoor
de mist zich gemakkelijk naar boven uitbreidt. Is het windstil, dan gebeurt dat
niet.
De rol van de wind is echter wat gecompliceerder dan tot nog toe werd
beschreven. Als de temperatuur van het aardoppervlak door de afkoeling lager is
geworden dan de luchttemperatuur, zal de wind er juist toe bijdragen dat er warmte
van de lucht naar het aardoppervlak toe gevoerd wordt. De wind werkt dan dus afkoeling
tegen. Hoe meer wind er staat, des te meer wordt de afkoeling tegengewerkt.
Bij een kouder aardoppervlak is echter de turbulentie van de zwaardere lucht minder.
De windsnelheid neemt daardoor af, wat juist verdere afkoeling in de hand werkt!
Wind kan echter ook nog warmte van andere gebieden aanvoeren; we spreken dan van
advectie van warmte. Ook dan wordt de afkoeling tegengewerkt. Dit effect doet
zich bijvoorbeeld 's nachts voor in de winter, als er wind van zee waait. De lucht
boven zee is warmer, waardoor de afkoeling vermindert of stopt. Vooral in de kustgebieden
is dit goed merkbaar. De temperaturen liggen er enkele graden hoger dan meer landinwaarts.
7.5
de rol van bewolking
Naast de wind speelt ook de bewolking een grote rol
bij de nachtelijke afkoeling. In wolken zitten waterdruppeltjes en ijskristallen.
Water in vaste of vloeibare vorm gedraagt zich als een bijna ideale straler. Daardoor
absorberen wolken vrijwel alle straling die door het aardoppervlak wordt uitgezonden.
Afhankelijk van de temperatuur van de wolken, - en dus van de hoogte waarop ze
zich bevinden, - zal de bewolking een groot deel van de straling weer terugstralen
naar het aardoppervlak. Dit verklaart het verschil in temperatuur na een heldere
en na een bewolkte nacht. In een heldere nacht kan de aardse straling ongehinderd
naar de wereldruimte verdwijnen, waardoor sterke afkoeling optreedt. Is het daarentegen
bewolkt, dan wordt die straling onderschept en in meerder of minderde mate teruggestraald.
Daarbij moet nog in rekening gebracht worden dat de atmosfeer zelf ook warmte
uitstraalt, gedeeltelijk ook naar het aardoppervlak toe, zoals in de figuur uiterst
boven weergegeven.
Ook kan het zijn dat nog een gedeelte van de straling die
het aardoppervlak bereikt, gereflecteerd wordt. Dat hangt sterk van de aard van
het oppervlak af. De hoeveelheid door de aarde uitgezonden straling is ongeveer
even groot als de door de atmosfeer naar het aardoppervlak gezonden hoeveelheid.
De straling uitgezonden door de wolken ligt in de orde van een tiental procenten
van deze waarden. Wolken spelen dan ook een grote rol bij de nachtelijke afkoeling.
Of er uiteindelijk meer energie uitgestraald wordt door het aardoppervlak dan
er ontvangen wordt, hangt sterk van de bewolking af. Een geringe hoeveelheid bewolking
is al voldoende om de balans te laten doorslaan naar ontvangst door het aardoppervlak,
zodat de nachtelijke afkoeling sterk vermindert of stopt.
Het zal duidelijk
zijn dat hierbij ook de wind weer een rol speelt; die bepaalt mede of er net meer
warmte wordt toegevoerd of wordt afgevoerd. Verder speelt de terreininvloed ook
weer mee. Het geheel is dus een tamelijk ingewikkeld en vooral subtiel proces.
Kleine veranderingen of verschillen hebben grote invloed. Dat blijkt ook uit vergelijking
van plaatsen waar mist en/of gladheid ontstaat. Er treden vaak grote verschillen
op over kleine afstanden.

Weerwaarnemingen Hoogeveen. Tussen 22 en 23 uur raakt het bewolkt en komt de nachtelijke afkoeling tot stilstand, waarna de temperatuur weer oploopt.
7.6
gladheidssituaties door straling
In veel gevallen is de lucht droog genoeg
om geen problemen met mist of gladheid te veroorzaken gedurende winteravonden
en stralingsnachten. Uit onderzoek bleek echter dat gladheid en stralingsmist
veelal optreden als er een westelijke of noordelijke luchtcirculatie boven Nederland
en omgeving staat. Tijdens dergelijke circulaties wordt er lucht via de Noordzee
aangevoerd. Deze lucht is in de onderste lagen erg vochtig. Is het onder dergelijke
omstandigheden gedurende de avond en nacht helder en valt als gevolg van de dagelijkse
gang van de windsnelheid tevens de wind weg, dan vindt sterke afkoeling door uitstraling
plaats. De lucht koelt af tot het dauwpunt en er ontstaat, afhankelijk van de
windsnelheid, mist of dauw. Vaak ook zal een wegdek sterker afkoelen, tot onder
het dauwpunt, waardoor het vocht op het wegdek neerslaat. Verdere afkoeling tot
temperaturen rond of onder het vriespunt kan in dit soort situaties leiden tot
gladheid, al of niet in combinatie met mist. Lokale effecten spelen hierbij wel
een heel grote rol. Er treden daardoor in die situaties altijd aanzienlijke verschillen
op tussen de ene plaats en de andere.