Hoofdstuk 14: Weersverwachtingen
| 14.1 Inleiding
|
|
14.3 Wereld Meteorologische OrganisatieOm bepaalde weersituaties tijdig aan te zien komen, zijn gegevens nodig afkomstig uit een groot gebied. Het weer in Nederland op zeker tijdstip wordt niet alleen bepaald door de omstandigheden in Nederland zelf, maar kan al dagen eerder op duizenden kilometers afstand in de maak zijn. De gegevens van bijvoorbeeld Amerika, Rusland of China zijn ook nodig om een goede uitspraak te doen over de weersontwikkeling in Nederland. Alle weerwaarnemingen worden dan ook wereldwijd uitgewisseld. Om deze internationale uitwisseling van berichten goed te laten verlopen, is de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) opgericht. De WMO is een onderdeel van de Verenigde Naties en is gevestigd in Genève; de meeste landen in de wereld zijn erbij aangesloten. |
![]() |
14.4 Wereldwijde telecommunicatie
De weerwaarnemingen worden
wereldwijd verzonden via een speciaal telecommunicatienetwerk, dat ook door de
WMO beheerd wordt. Alle landen zijn daarop aangesloten. Via dit netwerk verspreidt
het KNMI Nederlandse weerwaarnemingen wereldwijd en ontvangt het ook weer alle
berichten uit andere landen. Uiteindelijk heeft het KNMI op deze wijze ongeveer
een kwartier na waarnemingstijd de beschikking over de weerrapporten uit Europa
en na ongeveer een uur over de waarnemingen van het noordelijk halfrond.
14.5
Weerprognoses
Zijn de weergegevens eenmaal beschikbaar, dan is de volgende
stap om de gegevens te analyseren, zodat een beeld van de heersende toestand verkregen
wordt. Daartoe worden de gegevens in weerkaarten geplot en door de meteoroloog
geanalyseerd. De weerkaart verschaft inzicht in de ligging van de hoge- en lage-drukgebieden
en de verschillende luchtsoorten en hun scheidingszones, de zogeheten fronten.
Door patronen op geanalyseerde weerkaarten te extrapoleren, kan de meteoroloog
zich ook een beeld vormen over de weersontwikkeling tot ongeveer een dag vooruit.
Dat weerbeeld is niet erg gedetailleerd. Om op die termijn meer detail te krijgen
en ook voor de beeldvorming van de weerontwikkelingen verder vooruit, voldoet
de extrapolatiemethode niet meer; daarvoor zijn gecompliceerde modellen van de
atmosfeer nodig, die met behulp van supercomputers doorgerekend worden. Om zulke
berekeningen te kunnen maken, is het wel nodig de toestand van de atmosfeer op
een bepaald moment voor de gehele wereld te kennen. Naast de extrapolatiemethode
en de computermodellen worden ook veel statistische methoden gebruikt ter ondersteuning
van het maken van een weersverwachting. Dergelijke methoden geven veelal een kansverwachting
voor het optreden van een bepaald weerverschijnsel. Die kansverwachting is dan
gebaseerd op de uitkomsten van de modellen, maar ook op klimatologische gegevens
en de invloed van lokale omstandigheden. Statistische methoden geven de mogelijkheid
in beperkte mate weersverwachtingen die in feite voor een wat groter gebied gelden,
zodanig aan te passen, dat ze meer voor bepaalde plaatsen of kleinere gebieden
gebruikt kunnen worden.
14.6 Europees weercentrum
In de jaren
zeventig heeft een groot aantal landen in Europa gezamenlijk een weercentrum opgericht,
het ECMWF (Europees Centrum voor Weersvoorspellingen op Middellange Termijn);
daar staat een supercomputer die het weer met behulp van een geavanceerd computermodel
tot een dag of tien vooruit kan berekenen. Dat vergt enkele uren rekentijd en
gebeurt een keer per dag. Zo'n computermodel kan niet overal op aarde het weer
uitrekenen, maar doet dat op een beperkt aantal punten, die regelmatig over de
aarde verspreid zijn. We zeggen dat zo'n model op een rooster van punten de berekeningen
uitvoert. Daarbij kan men zich niet beperken tot het berekenen van het weer vlak
bij de grond; ook wat zich in de hogere luchtlagen afspeelt, is van enorm belang
voor het weer aan de grond (en omgekeerd). Zo'n computermodel rekent het weer
daarom uit voor een groot aantal lagen boven elkaar. In figuur 14.1 is dat voor
het model van het Europese weercentrum geschetst. Het Europese weercentrum is
gevestigd in Reading in Engeland. Meerdaagse verwachtingen zijn gewoonlijk gebaseerd
op de resultaten van dit centrum. Bij verwachtingen op een termijn tot een dag
vooruit worden eveneens computermodellen van de atmosfeer gebruikt. Deze zogeheten
regionale modellen rekenen vaker per dag en met meer detail maar over een kleiner
gebied.
14.7 Betrouwbaarheid
Hoe goed de atmosfeermodellen tegenwoordig
ook zijn, ze hebben ook beperkingen, waarvan we er een aantal noemen:
Uit het bovenstaande blijkt hoe moeilijk het is om op de wat langere termijn het weer gedetailleerd te berekenen. Op de korte termijn, bijvoorbeeld bij een verwachting voor de komende nacht, blijven er eveneens voldoende onzekerheden over, zoals geregelde gebruikers van weerberichten zullen kunnen beamen. Komt de wegdektemperatuur net wel of net niet onder nul? Komt er mist? De afkoeling die ergens optreedt, en de vorming van mist hangen beide sterk af van de omstandigheden ter plaatse. Soms zijn er grote verschillen tussen twee lokaties en zijn die voldoende bekend om te kunnen zeggen waar gladheid of mist zal optreden en waar niet. Meestal zijn de verschillen echter erg subtiel en kan geen zekerheid gegeven worden.
14.8 Gladheidsverwachtingen
Voor
gladheidsverwachtingen is bijvoorbeeld een verwachting van de minimumtemperatuur
van groot belang. De meteoroloog die zo'n verwachting opstelt, gebruikt hiervoor
de beschikbare waarnemingen en zijn eigen vakkennis; daarnaast zijn voor een beperkt
aantal lokaties statistische methoden beschikbaar. Bij het ontwikkelen van dergelijke
methoden gaat men uit van een groot aantal waarnemingen uit het verleden; onderzocht
wordt welke temperatuurdalingen bij welke weersomstandigheden zijn opgetreden.
Uitgangspunt voor de methode is de maximumtemperatuur of een temperatuur later
in de middag; hiervan wordt de statistisch bepaalde temperatuurdaling afgetrokken,
om de uiteindelijke minimumtemperatuur te krijgen. Bepalend voor de grootte van
de afkoeling zijn vooral de bewolking, de windsnelheid, de vochtigheid van de
lucht en soms ook de windrichting. In de winter is ook de aanwezigheid van een
sneeuwdek belangrijk: het verschil met kale grond bedraagt al gauw enkele graden.
Al deze invloeden worden door de meteoroloog op hun effect beoordeeld; ze zijn
ook in de statistische methoden verwerkt. Naast opgetreden of door de meteoroloog
verwachte waarden van weervariabelen, dienen ook de uitkomsten van berekeningen
met computermodellen van de atmosfeer als basis voor minimumtemperatuurverwachtingen.
Bij verwachtingen op de wat langere termijn wordt deze methodiek steeds belangrijker.
Verwachte waarden voor de wegdektemperatuur zijn voor het voorkomen dan wel bestrijden
van gladheid van groot belang. Dit geldt met name bij de beslissing om 's avonds
of in het begin van de nacht al of niet preventief wegenzout te strooien. Ook
hierbij kan de meteoroloog zijn eigen inzichten toetsen aan de uitkomsten van
statistische methoden of van computermodellen. In dergelijke computermodellen
voor het volgen van de wegdektemperatuur worden temperatuurveranderingen in het
wegdek afgeleid uit berekende waarden van de inkomende en de uitgezonden warmtestraling,
van de warmteuitwisseling met de lucht en van de warmtegeleiding met de bodem
onder de weg. Daarbij speelt uiteraard de wind een belangrijke rol, die op zijn
beurt beïnvloed wordt door de terreinruwheid; ook dat is in dergelijke modellen
verwerkt. Beïnvloeding van de wegdektemperatuur door het verkeer is vaak
nog onvoldoende meegenomen. Uitgaande van een gegeven wegdektemperatuur rond het
middaguur en van door de meteoroloog verwachte veranderingen in luchttemperatuur,
vochtigheid, wind, bewolking en neerslag, berekenen de modellen het verloop van
de wegdektemperatuur. De modelberekeningen hebben betrekking op een beperkt aantal
punten.