Neerslagproducerende
weersystemen en weersituaties
Laatste wijziging:
2 juli 2004
12.1 Inleiding
In het hoofdstuk 'Neerslag
en vocht op de weg' is de samenhang besproken tussen neerslag en bewolking;
ook zagen we hoe de neerslagsoort afhangt van de omstandigheden. De weersystemen
die de neerslagwolken creëren komen in dit hoofdstuk aan de orde.
| 12.2 Weersystemen en weer Om bewolking te krijgen zijn opwaartse luchtbewegingen nodig; de opstijgende lucht koelt af en raakt oververzadigd, zodat condensatie optreedt. Zo ontstaan wolken waaruit neerslag kan vallen. In het hoofdstuk 'Neerslag en vocht op de weg' gingen we hier uitvoeriger op in. Stijgende luchtbewegingen komen onder andere voor in lage-drukgebieden. In hoge-drukgebieden treden daarentegen juist dalende luchtbewegingen op. Deze doen eventueel aanwezige bewolking oplossen en geven in het algemeen aanleiding tot fraai weer. Neerslagwolken worden dus vooral aangetroffen in en rond lage-drukgebieden. Ook binnen zo'n lage-drukgebied kunnen nog specifieke systemen onderkend worden die neerslag produceren, namelijk frontale zones en buiengebieden. | |
| 12.3 Frontale zones en weer Boven verschillende delen van Europa en de Atlantische Oceaan toont de lucht gewoonlijk uiteenlopende eigenschappen: er zijn verschillende luchtsoorten aanwezig. De overgangszones tussen twee luchtsoorten zijn tamelijk smal; deze zogeheten frontale zones zijn slechts enkele tientallen kilometers breed. De luchtmassa's zijn voortdurend in beweging; daarbij is het onvermijdelijk dat de ene luchtmassa de andere verdringt. De koudere luchtmassa, die zwaardere lucht bevat, dringt onder de warme lucht; de warme luchtmassa wordt daardoor gedwongen tegen de koude massa op te glijden. Dat is een langzaam proces en de frontale zone waar dit gebeurt, blijkt ook niet verticaal te staan, maar te hellen. Wordt koude lucht verdrongen door warme, dan glijdt de opdringende warme lucht tegen de koude lucht op en wel in de richting waarin de luchtmassa's bewegen. Het scheidingsvlak tussen de koude en warme lucht is in dit geval van een warmtefront. Wordt warme lucht daarentegen verdrongen door koude, dan wrikt de koude lucht zich onder de warme; die wordt dan dus eveneens gedwongen tegen de koude lucht op te stijgen, maar nu tegen de bewegingsrichting in. De frontale zone van dit zogeheten koufront helt daarom tegen de verplaatsingsrichting in. |
|
In de figuren is schematisch weergegeven hoe de fronten hellen als
verschillende luchtmassa's bewegen en op elkaar botsen. De warme lucht is in principe
warme massa, die niet spontaan opstijgt, maar daartoe gedwongen wordt. Dit is
een situatie waarbij vooral horizontaal uitgestrekte, gelaagde bewolking ontstaat,
die echter wel geleidelijk tot grote hoogte kan reiken. De koude lucht daarentegen
is koude massa; hierin kunnen luchtbellen wel spontaan opstijgen. In die koude
luchtmassa's ontstaat daardoor gewoonlijk verticaal ontwikkelde bewolking: cumuluswolken
die uiteindelijk over kunnen gaan in cumulonimbus, zodat er buien optreden. Dat
betekent dat het weer tijdens het passeren van een warmtefront wezenlijk verschilt
van dat tijdens de passage van een koufront. Voordat we dat in wat meer detail
bespreken, zullen we eerst nagaan hoe de verschillende luchtmassa's ten opzichte
van depressies en hogedrukgebieden gesitueerd zijn.
12.4 Weersystemen
en luchtmassa's
De lagedrukgebieden die bij ons het weer bepalen, ontstaan
vaak op de scheiding tussen warme, vochtige luchtmassa's die zich in het zuiden
bevinden en koude, drogere luchtmassa's ten noorden daarvan (figuur onder, 1).
Dat gebeurt middels een ingewikkeld proces, waarop hier niet in detail ingegaan
wordt. Het komt er in het kort op neer dat in de scheidingszone, het zogeheten
polaire front, golvingen ontstaan (figuur onder, 2), die onder bepaalde omstandigheden
groter worden (figuur onder, 3 en 4). Het ontstaan van deze golvingen hangt nauw
samen met stromingen op 5 tot 10 kilometer hoogte in de atmosfeer, waar zich de
zogeheten straalstroom bevindt. Een zich ontwikkelende golf gaat gepaard met dalingen
van de luchtdruk aan het aardoppervlak en versterkte stijgende luchtbewegingen,
uiteindelijk resulterend in een lagedrukgebied met afmetingen van honderden kilometers.
Gezien het stromingspatroon rond een lagedrukgebied (tegen de wijzers van de klok
in), beweegt de koudste lucht aan de achterkant van de depressie naar het zuiden
(figuur onder, 4 en 5) en de warme lucht aan de voorkant naar het noorden. De
voorste begrenzing van de koude lucht, het koufront (blauwe lijnen met driehoekjes),
verplaatst zich sneller dan de voorste begrenzing van de warme lucht (warmtefornt,
rode lijnen met halve bolletjes). Waar de warme lucht de koude lucht heeft ingehaald,
of beter opgetild, ligt het occlusiefront; dat is in de tekeningen in paars weergegeven.
Doordat er eerst een uitstulping van warme lucht in de koude lucht is geweest,
bevindt zich helemaal aan de voorkant van de depressie ook koude lucht, die door
een vorig lagedrukgebied daar terecht is gekomen. Trekt een depressie voorbij,
dan zitten we dus eerst in koude lucht. Vervolgens passeert een warmtefront en
komen we in warme lucht. Na enige tijd passeert een koufront en komen we weer
in koude lucht. Meestal is deze koude lucht nog een stuk kouder dan de koude lucht
aan de voorkant van de depressie.
|
|
|
|
|
In de figuren hierboven is de ligging van de luchtmassa's ten opzichte van het lagedrukgebied geschetst, waarbij ook het warmtefront en koufront getekend zijn. Tevens is de bewegingsrichting van het geheel weergegeven.
12.5
Passage van een warmtefront
De helling van een warmtefront is maar klein,
zodat het proces langzaam en geleidelijk verloopt. De snelheid waarmee de lucht
stijgt, ligt in de orde van enkele honderden meters per uur. Merk op dat stijgsnelheden
liggen in de orde van centimeters per seconde, terwijl horizontale windsnelheden
in de orde van meters per seconde liggen. Ver voor het front uit, dus op honderden
kilometers afstand, nemen we de warme lucht al waar in de hogere luchtlagen, dat
is op zo'n 8 tot 10 kilometer hoogte. Hier is de temperatuur laag, en er komen
meest ijskristallen voor. We zien de bewolking in de vorm van windveren: cirrusbewolking.
In de onderste luchtlagen is de lucht nog koud; er kan zich daar wat cumulusbewolking
hebben gevormd. In dat stadium is er nog weinig bewolking en overdag dus veel
zon. De bewolking in de hogere luchtlagen wordt, naarmate het warmtefront dichterbij
komt, dichter en komt ook op lagere niveaus. Tenslotte is de bewolking via cirrostratus,
en altostratus in een dik pak nimbostratus overgegaan waaruit neerslag valt. De
wind krimpt en trekt aan; een krimpende wind draait tegen de wijzers van de klok
in. De luchtdruk daalt, eerst langzaam, dan sneller. De situatie bij een warmtefront
is in de figuur hiernaast weergegeven. Uit zo'n dik pak bewolking valt langdurig
regen, in de winter ook sneeuw of ijsregen vallen.
![]() Doorsnede door een warmtefront. | ![]() Doorsnede door een koufront. | ![]() Doorsnede door een occlusiefront. |
12.6 Warme sector
Na het passeren van het warmtefront zijn we in de warme sector terecht gekomen.
De wind ruimt, dat wil zeggen draait met de wijzers van de klok mee; hij neemt
veelal echter nauwelijks in kracht af. De luchtdruk daalt niet verder, maar stijgt
ook niet. Meestal loopt in de winter de temperatuur flink op, zeker als het front
uit het westen komt. De sneeuw of ijsregen die tijdens de warmtefrontpassage valt,
gaat dan snel in gewone regen over. Hoe harder het regent, des te gunstiger dat
is om een eind te maken aan de gladheid: ijs en sneeuw worden met de regen vermengd,
smelten en verdwijnen. Soms echter houdt het in de warme sector snel op met regenen.
Ligt er dan sneeuw of ijs op de weg, dan duurt het veel langer voordat deze verdwenen
zijn. De warme lucht erboven heeft er veel minder vat op dan de (warme) regen.
12.7 Passage van een koufront en van een occlusie
Na enige tijd
neemt de bewolking in de warme sector op de nadering van het koufront weer toe;
ook neemt ze grote verticale afmetingen aan. De koude lucht dringt vaak met geweld
onder de warme lucht, waardoor deze gedwongen wordt snel op te stijgen. De stijgsnelheid
bedraagt soms enkele m/s, de zelfde orde van grootte dus als de horizontale snelheid.
Vlak voor het koufront ontstaan door deze ontwikkelingen soms heftige regen- of
onweersbuien. De wind krimpt tijdelijk, draait dus tegen de wijzers van de klok
in, en neemt sterk in kracht toe. In de buien voor het front komen windstoten
voor. De luchtdruk daalt onafgebroken. Op het moment dat het koufront passeert,
ruimt de wind sterk en bereikt zijn grootste kracht, terwijl de luchtdruk op z'n
laagst is. Na de koufrontpassage stijgt de luchtdruk weer, zelfs tot boven de
waarde aan de voorzijde van het front. In de figuur is schematisch de passage
van een koufront weergegeven.
Een occlusiepassage vertoont de kenmerken van
zowel een kouftontpassage als een warmtefrontpassage. De warme sector ontbreekt.
|
|
12.8 Luchtmassabuien. |
![]() |
12.9 Buienlijnen en troggen
Figuur: Passage van buienlijnen. Een eerste buienlijn is vrijwel alleen actief boven de Noordzee. De tweede buienlijn trekt over Nederland en gaat vergezeld van zeer zware winstoten. |
![]() | 12.10
Weertypen met buien In de winter zijn er twee typen situaties met winterse buien. Op de eerste plaats is dat een noordwest- of noordcirculatie, waarbij noorden- of noordwestenwinden koude, zogeheten polaire lucht over het relatief warme water van de Noordzee aanvoeren. Boven zee ontwikkelen zich dan buien. De aangevoerde lucht is koud; de neerslag valt in de vorm van regen, sneeuw en korrelhagel. De vaak krachtige wind drijft de buien ver landinwaarts. Dat kan leiden tot gladde wegen. Overdag zal tijdens opklaringen de temperatuur tussen de buien door vaak wat oplopen, wat de sneeuw doet verdwijnen. In de avond en nacht duurt de buienactiviteit gewoon voort. Door de daling van de temperatuur, meestal tot onder nul, blijft de sneeuw liggen en bevriezen nu ook natte wegen. Zo'n buiensituatie kan enkele dagen aanhouden. Een tweede soort situaties met winterse buien treedt op als er zich boven midden-Europa een lage-drukgebied bevindt. De lucht is dan koud en er komen buien tot ontwikkeling. Deze buien geven vaak sneeuw, maar soms ook hagel en regen. Zo'n situatie kan dagenlang voortduren en aanleiding geven tot een pak sneeuw. |
12.11 Het kustfront
De situatie met een
krachtige noordwestelijke luchtstroming met buien, moet niet verward worden met
de situatie van het zogenoemde kustfront. In het eerste geval drijven de buien
door de wind landinwaarts. De situatie met het kustfront ontstaat in najaar en
winter, als de Noordzee relatief warm is en het land koud. Als er dan een rustig
weertype heerst en er dus weinig wind staat, kan zich de landwindsituatie ontwikkelen.
Dan waait de wind van land naar zee. Boven de warme Noordzee ontstaan wel winterse
buien, maar de buienactiviteit blijft vrijwel beperkt tot een zone boven zee en
een smalle strook boven land. De buien kunnen maar heel weinig het land binnen
dringen. De buienzone boven zee heeft het karakter van een koufront of trog, maar
ze verplaatst zich nauwelijks. Zo'n situatie kan in de winter in een smalle kuststrook,
bijvoorbeeld op de Waddeneilanden, een flink pak sneeuw achterlaten.
|
12.12 aquaplaning |