Kees Floor, Zenit december 2011.

Het tegenpunt van de zon fungeert als middelpunt van verscheidene optische verschijnselen en effecten. Alle staan ze garant voor schitterende natuurfoto's. Maar het mooist is het natuurlijk als er twee of meer verschijnselen tegelijkertijd op zo'n foto zichtbaar zijn.

Van de optische verschijnselen in de atmosfeer die zich voordoen rond het tegenpunt van de zon, is de regenboog verreweg het meest bekend. Daaraan verwante lichteffecten, zoals de mistboog, de wolkenboog en de dauwboog, hebben eveneens het tegenpunt van de zon als middelpunt. Dichter bij het tegenpunt zelf zijn rond de schaduw van een waarnemer soms de glorie zichtbaar of de heiligenschijn. En in incidentele gevallen zien we tegenover de zon zonnestralen, die lijken samen te komen in één punt: het tegenpunt van de zon.

Het tegenpunt van de zon.

1. Hoofdregenboog, bijregenboog en naar het tegenpunt van de zon gerichte antischemeringsstralen. Foto: Jens-Uwe Köhler.

2. Dauwboog en heiligenschijn rond de schaduw van de waarnemer. Foto: Laurent Laveder

Regenboog
Regenbogen ontstaan als zonlicht invalt op regen. Een waarnemer met de rug naar de zon ziet, als de omstandigheden daarvoor geëigend zijn, een kleurrijke boog met een scherpe rode buitenrand en een wat minder uitgesproken violette binnenrand (figuur 1). Het middelpunt van de boog is het tegenpunt van de zon; het bevindt zich tegenover de zon en even ver onder de horizon als de zon erboven staat. Je kunt ook zeggen dat het tegenpunt van de zon zich bevindt in de richting van de schaduw van het hoofd van de waarnemer.
De regenboog beweegt met de waarnemer mee, op dezelfde manier als ook de schaduw dat doet. Buiten de gewone regenboog of hoofdregenboog is soms een tweede boog zichtbaar: de bijregenboog. (figuur 1). De beide bogen hebben hetzelfde middelpunt; de kleurenvolgorde van de bogen is tegengesteld.

Dauwboog
In sommige gevallen treedt, vooral bij lage zonnestanden, het regenboogeffect op in dauw- of regendruppels op vegetatie nabij de grond (figuur 2). Het verschijnsel heet in dat geval een dauwboog of horizontale regenboog. Men ervaart het verschijnsel niet altijd als boog, maar veelal als een wijd geopende hyperbool op de grond. Aan een gewone regenboog dragen alle regendruppels bij die op een kegel liggen met de waarnemer als top en een tophoek van 42 graden. Waar deze kegel de grond snijdt, treedt de dauwboog op. Doordat er slechts één laag druppels meewerkt aan de vorming van de dauwboog, is deze meestal tamelijk lichtzwak. Ook dit verschijnsel beweegt met de waarnemer mee, op dezelfde manier als ook zijn schaduw dat doet.

Mistboog
Eveneens verwant aan de regenboog is de mistboog. Het effect treedt echter niet op in gewone regendruppels, maar in de veel kleinere mist- of wolkendruppeltjes. De klassieke regenboogtheorie, zoals voor het eerst opgeschreven door René Descartes (1596-1650), gaat dan niet meer op, doordat buigingseffecten aan de druppeltjes een belangrijke rol gaan spelen. De 'kleuren van de regenboog' worden in zo'n geval niet meer netjes naast elkaar geprojecteerd, maar gaan overlap vertonen. Daardoor treedt er nog wel een relatief lichtsterkte boog op, maar de kleurenrijkdom verdwijnt (figuur 3). Wel is soms nog een roodachtige buitenrand te zien. Een mistboog beweegt eveneens mee een de waarnemer, op dezelfde manier als de overige besproken optische verschijnselen.

Glorie
De glorie bestaat uit een aantal gekleurde ringen direct rond het tegenpunt van de zon (figuur 3). We zien de glorie het vaakst rond de schaduw van een vliegtuig op onderliggende bewolking, maar vanaf andere waarneemposities waarbij onze schaduw op mist of bewolking valt, is ze ook te zien. De grootte van de ringen hangt af van de grootte van de wolken- of mistdruppeltjes waarin het effect optreedt: hoe kleiner de druppels, des te groter de glorie. In het midden, direct rond de schaduw van een waarnemer, is het helder. Daaromheen zijn gekleurde ringen te zien met blauw binnen en rood buiten. Bij goed ontwikkelde glories zijn daarbuiten dan nog een of meer blauwe, groene en rode ringen te zien. De zon moet schijnen, anders is er geen schaduw en ook geen glorie. Ook de glorie beweegt met de waarnemer mee.

Heiligenschijn
De heiligenschijn is een zilverwit lichtschijnsel dat optreedt rond de schaduw van ons hoofd - dus ook weer rond het tegenpunt van de zon - op bedauwd gras (figuur 2). De dauw bedekt het gras namelijk niet met een dun filmpje water, maar ligt er in afzonderlijke druppels tegenop. Het effect is het best te zien als we ons verplaatsen: het lichte aureool beweegt dan met ons mee op dezelfde manier als onze schaduw en de verschillende hiervoor beschreven lichtverschijnselen dat doen.

Antischemeringsstralen
Lichte banen van zonlicht en tussenliggende schaduwpartijen lijken in de lucht aan de zonzijde afkomstig van één punt: de zon zelf. Het verschijnsel kent verscheidene namen, waaronder 'schemeringsstralen'. In sommige gevallen zien we dergelijke lichtstralen bij laagstaande zon ook aan de andere kant van de hemel. (figuur 1). Ze lijken dan eveneens samen te komen in één punt: het tegenpunt van de zon. In dat geval spreken we van antischemeringsstralen. Het effect treedt op als het wisselend bewolkt is en er dus naast zonnige gebieden ook schaduwen van buien- of andere stapelwolken zichtbaar zijn.

Foto's
De genoemde lichtverschijnselen vormen dankbare onderwerpen voor een foto. Stuk voor stuk komen ze, als de omstandigheden dat toelaten, prachtig tot hun recht. Maar nog mooier is het als ze zich voordoen in combinatie en er twee of meer lichteffecten tegelijkertijd op de foto kunnen worden vastgelegd.
Om een inschatting te maken welke combinaties voor de hand liggen, kunnen we letten op de manier waarop de verschijnselen tot stand komen. Zo treedt zowel de glorie als de mistboog op in mist- of wolkendruppeltjes; op een dergelijke combinatie kunnen we dus verdacht zijn. Inderdaad blijkt het gelijktijdig optreden van de lichteffecten op foto's vastgelegd; figuur 3 geeft een voorbeeld.
De regenboog, de dauwboog en de heiligenschijn vereisen de grotere druppels van regen of dauw; ook hier zijn dus combinaties te verwachten. De foto van figuur 2 bewijst het voorkomen van de combinatie van heiligenschijn en dauwboog, ook al is het dauwboogeffect meestal relatief lichtzwak. In figuur 4 zien we de combinatie van regenboog en heiligenschijn.
Een regenboog kan ook gezien worden met gelijktijdig optredende antischemeringsstralen. Men spreekt wel van 'een regenboog met spaken' of een regenboogwiel. Figuur 1 geeft een voorbeeld.

3. Mistboog en glorie rond de schaduw van de waarnemer. Foto: Mila Zinkova.

4. Regenboog en heiligenschijn.

5. Tijdens een Spaanse expeditie naar Zuid-Amerika in de 18e eeuw waargenomen verschijnselen: een vulkaanuitbarsting, een halo, een glorie en een mistboog. Glorie en mistboog traden tegelijkertijd op; de beide andere verschijnselen deden zich voor op andere dagen.

Oude 'verzameltekeningen' van een glorie, een mistboog en een halo

De combinatie van glorie en mistboog trad al op tijdens de eerste beschreven waarneming van een glorie. Het verschijnsel werd destijds gezien door de Spaanse marineofficier Antonio de Ulloa vanaf de Pambamarca, een berg in Equador. Ulloa nam deel aan een enkele jaren durende expeditie naar Zuid-Amerika, die in 1735 van start ging. Zijn reisverslag bevat onder andere de hierbij afgedrukte schets van het door hem waargenomen verschijnsel (figuur 5). In die tijd was het echter heel gebruikelijk om ter besparing van druk-, papier- en clichékosten verschillende te illustreren verschijnselen in één afbeelding te plaatsen. Uit de tekst van het reisverslag van Ulloa blijkt echter dat hij wel degelijk de glorie en de mistboog tegelijkertijd heeft gezien. Dezelfde tekening bevat echter nog een vulkaanuitbarsting en een tot nog toe onopgehelderde halovorm; deze verschijnselen deden zich voor tijdens dezelfde expeditie, maar op andere dagen, zodat ze eigenlijk niet in dezelfde tekening thuishoren.
Een ander voorbeeld van het afbeelden van gebeurtenissen op verschillende dagen in één tekening vinden we in de Engelse vertaling van het dagboek van Gerrit de Veer, deelnemer aan de expeditie van Willem Barentsz, die uiteindelijk uitliep op de overwintering op Nova Zembla in de winter van 1596-1597. De Veer beschrijft de gebeurtenissen tijdens de expeditie in een reisverslag, dat onder de titel 'Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort' in 1598 in het Nederlands verscheen. In 1609 kwam een enigszins ingekorte Engelse vertaling uit, waarin ook op de illustraties werd beknibbeld. Zo bevat de oorspronkelijke Nederlandstalige uitgave een tekening van een zeldzaam haloverschijnsel op 4 juni 1596 en een andere illustratie van een gevecht met een ijsbeer op 21 juni. De beide tekeningen ( afgebeeld als figuur 6a en 6b hieronder) zijn in de Engelstalige uitgave samengevoegd tot de hierbij afgedrukte prent (figuur 6). De halo is, net als in de Nederlandse editie, wat vreemd in de tekening geplaatst. Met wat goede wil herkennen we de bijzonnenring, twee bijzonnen en de uiterst zeldzame scheve bogen door de tegenzon.

6a. Gevecht met een ijsbeer, 21 juni 1596. Prent uit de Nederlandse editie van 'Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort'.

6b. Halo van 4 juni 1596, waargenomen door Gerrit de Veer, deelnemer aan de expeditie van Willem Barentsz, die uitliep op de overwintering op Nova Zembla. Prent uit de Nederlandse editie van 'Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort'.

6. Halo van 4 juni 1596, waargenomen door Gerrit de Veer, deelnemer aan de expeditie van Willem Barentsz, die uitliep op de overwintering op Nova Zembla. De halo is geplaatst in een tekening van een gevecht met een ijsbeer op 21 juni. Prent uit de Engelse editie.