![]() Kees Floor, geplaatst in Zenit, september 2003. Laatst gewijzigd: 31 mei 2005. |
![]() |
![]() |
![]() |
| Bosbranden waren de afgelopen zomer herhaaldelijk in het nieuws. De langdurige droogte en de hittegolf in Europa droegen bij aan het bosbrandgevaar. Meldingen van branden kwamen onder andere uit Frankrijk, Spanje, Portugal, Kroatië, Italië en Rusland. Er vielen talrijke slachtoffers, onder ander onder de toeristen die in de brandende streken op vakantie waren. In Portugal werd de noodtoestand afgekondigd. Ook in Noord-Amerika was het raak; zowel in Canada als in de Verenigde Staten woedden omvangrijke bosbranden. Een half jaar eerder, in de Australische zomer, haalden grote bushbranden rond Sydney de pers. |
|
De vuurdriehoek
Bosbranden doen zich voor als aan drie vereisten is voldaan,
de zogeheten vuurdriehoek; dezelfde voorwaarden gelden overigens ook voor andere
branden. Allereerst moet er voldoende brandstof zijn. Daarnaast is er zuurstof
nodig. Tenslotte moet de temperatuur hoog genoeg zijn om ontbranding te doen plaatsvinden.
Het weer speelt bij het vervullen van elk van deze voorwaarden een belangrijke
rol. Een bos bevat natuurlijk altijd voldoende hout, maar dat moet wel droog genoeg
zijn om te kunnen branden. Droog hout, met hooguit 1 of 2 gewichtsprocent water,
ontbrandt bijna net zo makkelijk als benzine; nat hout met 15-20 % vocht wil nauwelijks
branden. Dat komt doordat hout ontvlamt bij 390 graden, een temperatuur die veel
hoger ligt dan het kookpunt van water. Daardoor moet eerst alle water verdampt
zijn, voor de ontbrandingstemperatuur kan worden bereikt. Vandaar dat tijdens
een langdurige droogteperiode de kans op bosbranden in de loop van de tijd toeneemt.
Hoe hoger de temperatuur en hoe lager de vochtigheid van de lucht, des te sneller
vindt de uitdroging van het bos plaats. De fijne brandstoffen, zoals grassen,
blad, naalden en kleine takjes drogen al in enkele uren, maar bij het grovere
hout duurt dit dagen of zelfs weken. De kans op een bosbrand hangt daardoor mede
af van het weer twee weken terug.
Ook bij het vervullen van de tweede voorwaarde,
voldoende zuurstof, is het weer belangrijk. De lucht die de zuurstof bevat, wordt
namelijk aangevoerd door de wind; hoe harder het waait, des te meer zuurstof komt
er beschikbaar. De wind kan ook een rol spelen om aan de derde voorwaarde te voldoen:
hij voert soms vonken of andere brandende materialen van een gewone brand, een
barbecue of een kampvuur mee naar plaatsen waar een bosbrand kan ontstaan. Een
bos kan door blikseminslag eveneens in brand raken; in Noord-Amerika is dat de
oorzaak van 40% van alle bosbranden.
![]() De vuurdriehoek. | ![]() Wind doet vlammen naar voren overhellen. | ![]() Wind en brand op berghellingen. |
Wind en weer
De wind is meer dan alleen leverancier van zuurstof; hij helpt bij het drogen
van de brandstof en speelt een belangrijke rol bij de uitbreiding van het vuur.
Zo voert hij de hete lucht van de plaats waar de brand woedt naar het gebied waarheen
de brand zich gaat uitbreiden. Verder doet de wind de vlammen naar voren overhellen
(zie ook foto geheel rechtsboven), zodat ook de warmtestraling van de vlammen
voorwerk kan verrichten voor een uitbreiding van de brand. Dit stralingseffect
wordt nog versterkt op berghellingen, waartegen een bosbrand dan ook razendsnel
kan opkruipen.Tenslotte voert de wind, zoals reeds genoemd, soms vonken en lichte,
brandende materialen uit het brandende bos naar plaatsen waar nog geen brand is
uitgebroken.
De wind beïnvloedt de intensiteit van de brand, bepaalt
in welke richting het vuur zich uitbreidt en speelt ook een rol bij hoe snel dat
zal gebeuren; de snelheid waarmee een vuur zich uitbreidt kan uiteenlopen van
bijna nul tot ruim 6,5 m/s. Daardoor is het, ook al voor de veiligheid van de
brandbestrijders, van het grootste belang de wind en de veranderingen daarin precies
te kennen en te voorspellen. Daarbij moet met allerlei meteorologische factoren
rekening worden gehouden. Zo werken veranderingen in het grootschalige luchtdrukpatroon
door in veranderingen in de wind. Bij frontpassages kan de wind bovendien aanwakkeren,
vlageriger worden en vrij plotseling van richting veranderen. Ook buien gaan vaak
vergezeld van een vlagerige, sterk veranderlijke wind, zelfs op plaatsen waar
geen regen valt.
Daarnaast doen bosbranden zich vaak voor in gebieden met
lokale winden. Zo treden ze veelal op in de buurt van de kust; dat was in 2003
bijvoorbeeld het geval in Zuid Frankrijk, Portugal en Australië. Bij het
invallen van de zeewind verandert de wind plotseling van richting. Berggebieden
kennen hun eigen windcirculaties, zoals de föhn, een soms dagenlang stevig
doorstaande warme en droge wind achter grote bergketens.Verder waaien hellingwinden
overdag langs de door de zon verhitte berghellingen omhoog en kunnen zo bosbranden
eveneens een flinke impuls geven.
Tevens is de temperatuuropbouw van de atmosfeer
van belang. In een stabiele atmosfeer zijn de branden minder hevig dan in een
onstabiele. Dat komt doordat in een stabiele atmosfeer stijgende luchtbewegingen
worden tegengewerkt. Daardoor neemt het luchtaanzuigend, ventilerend vermogen
van het vuur af. Vaak verandert het temperatuurprofiel van de atmosfeer in de
loop van de ochtend van stabiel naar onstabiel; op dat moment trekt de wind aan
en neemt de relatieve vochtigheid af. Bovendien loopt de temperatuur naarmate
de dag voortschrijdt, verder op, zodat het vuur overdag aanwakkert. In de avond
en nacht vindt een overgang van onstabiel naar stabiel plaats, waarbij de wind
weer afneemt en het vuur minder kansen krijgt. Doordat in de loop van de nacht
ook de temperatuur daalt en de vochtigheid toeneemt, is de kans om een vuur onder
controle te krijgen in de vroege ochtend het grootst. De bosbranden tonen dus
niet alleen een jaarlijkse gang, met de meeste branden in het zomerseizoen, maar
ook een dagelijkse gang.
Om het vuur te doven moet ten minste een van de elementen
van de vuurdriehoek onschadelijk worden gemaakt: de brandstof moet opraken, de
zuurstoftoevoer stagneert of de temperatuur zakt onder de ontbrandingstemperatuur,
bijvoorbeeld door bluswater.
Eigen regime
De samenhang tussen
weer en bosbranden is ingewikkeld doordat niet alleen het weer invloed heeft op
de bosbranden, maar de bosbranden op hun beurt ook het kleinschalige weer mede
bepalen. Dat maakt de branden extra grillig en hindert de bestrijding. Dit grillige
gedrag resulteert soms in onverwacht snelle uitbreiding van de brand. Verder kan
de brand zich van het aardoppervlak verplaatsen naar de boomkruinen, waar het
vuur zich zeer snel kan voortplanten. Er zijn bij deze zogeheten kruinbranden
vlamlengtes waargenomen van 50 m, terwijl het vuur zich met een snelheid van 3,5
m/s voorwaarts verplaatste. Tegen zoveel geweld zijn de brandgangen in de bossen
niet opgewassen. De kruinbranden verbruiken veel meer brandstof dan de oppervlaktebranden,
zijn veel heter en brengen de verbrandingsproducten hoger in de atmosfeer.
In het brandende gebied treden verder soms 'vuurhoosjes' op, te vergelijken met
de stof- en zandhoosjes die vaak te zien zijn boven heet en droog zand. Deze vuurhoosjes
kunnen honderden meters hoog zijn en brandend materiaal ver omhoog voeren, dat
vervolgens op grote afstand neerkomt en nieuwe branden veroorzaakt. Het deels
afgebrande bos toont soms de sporen van andere opgetreden luchtcirculaties. Zo
komen er lijnvormige patronen voor met afwisselend verbrande en niet verbrande
delen bos, die grote gelijkenis vertonen met het patroon van wolkenstraten.
| Branden schering en inslag Satellietbeelden |
Figuur 2. Bosbranden in Zuid-Frankrijk, waargenomen door de MODIS van de Amerikaanse satelliet Aqua in de middag van 30 juli 2003. |
Literatuur:
Coen, J., 2003, Wildfire Weather; in: Holton, J.R.,
Curry, J.A. & Pyle, J.A., Encyclopedia of Atmospheric Sciences, Vol 2, 509-520
Amsterdam, Academic Press.
Roberts, C.F., 1974, Weather and forest fires,
Weatherwise 27 100-105, 115.