Kees Floor, de Volkskrant, 24 maart 1990

Marathonlopers en hun coaches gaan er gewoonlijk van uit dat temperatuur en relatieve vochtigheid de prestaties in belangrijke mate beinvloeden. Andere weerelementen, zoals zonneschijn en de zogeheten natte bol temperatuur, blijken echter veel bepalender. Dat schrijven L.M. Trapasso en J.D. Cooper van de universiteit van Kentucky in het onlangs verschenen decembernummer van het International Journal of Biometeorology. Ze baseren hun uitspraken op een onderzoek naar de prestaties van de atleten tijdens de marathon van Boston, die al sinds 1897 jaarlijks wordt gelopen op een vrijwel ongewijzigd parcours. Over 30 jaar beschikten zij tevens over de weergegevens van de race, zodat de invloed van het weer op de eindtijden nauwkeurig kon worden onderzocht.

Trapasso en Cooper stoppen hun bewondering voor de atleten die aan marathons deelnemen niet onder stoelen of banken. Marathonlopers, die meedraaien in de top, bezitten een kruissnelheid, die maar liefst 85% bedraagt van de maximumsnelhied, die ze over een traject van 1 km kunnen bereiken. De hele afstand leggen ze af in tijden die varieren van 2 uur en 8 minuten tot 2 uur en 12 minuten. Om zulke prestaties te kunnen leveren ontwikkelt het lichaam grote hoeveelheden warmte, die het overigens ook weer kwijt moet. Vandaar dat uitdroging en uitputting ten gevolge van warmte tijdens een marathon altijd op de loer liggen.

Suksesvolle marathonatleten bezitten twee belangrijke eigenschappen. Allereerst kunnen ze grote hoeveelheden zuurstof opnemen, door het lichaam transporteren en benutten. Daarnaast zijn ze bestand tegen een energieverbruik dat ongeveer 20 maal hoger ligt dan het verbruik in rust. De hoeveelheid energie die tijdens de race geproduceerd wordt is goed voor een stijging van de lichaamstemperatuur van 0.2 graden per minuut. Voor een hele wedstrijd van ruim twee uur komt dat neer op een temperatuurstijging van 26 graden, overigens een theoretische waarde, omdat de betrokkene bij een lichaamstemperatuur van 42 of 43 graden buiten bewustzijn zou raken. In de meeste gevallen stijgt de temperatuur echter slechts met 1 of hooguit 2 graden, wat de effectiviteit aantoont van het mechanisme, waarmee het lichaam de overtollige warmte weet kwijt te raken. Dit afvoeren van warmte gaat bij sommige weersomstandigheden gemakkelijker dan bij andere; vandaar dat het weer een belangrijk stempel kan drukken op het koersverloop en op de behaalde tijden.

Om andere factoren dan weerinvloeden zoveel mogelijk te elimineren beperkten de onderzoekers zich tot een marathon met een min of meer vast parcours. Deze aanpak heeft wel tot gevolg dat de resultaten niet letterlijk naar andere locaties mogen worden overgezet. De marathon van Boston wordt altijd gelopen op de derde maandag in april, echter onder zeer uiteenlopende weersomstandigheden. De temperaturen varieerden bij de 30 bestudeerde gevallen van nog geen 3 tot ruim 21 graden Celcius; de relatieve vochtigheid liep uiteen van 17 (extreem droog) tot 100% (zeer vochtig). Men bekeek echter ook andere weerelementen, zoals bedekkingsgraad, neerslag en natte boltemperatuur. Bij veel zon wordt extra stralingswarmte ontvangen, wat het moeilijker maakt om het lichaam op temperatuur te houden. De natte boltemperatuur is de temperatuur die een thermometer aanwijst, wanneer er om het kwikreservoir een natte lap is gewikkeld. De natteboltemperatuur is meestal lager dan de 'gewone' temperatuur; gelijke waarden voor de beide temperaturen treden op bij een relatieve vochtigheid van 100%. Hoe groter het verschil tussen temperatuur en natte bol temperatuur, des te lager is de relatieve vochtigheid van de lucht. Kennelijk gedraagt een bezweet lichaam of een lichaam in door zweet of lichte regen natgeworden kleren zich net zo als een met een natte lap omwikkelde thermometer; de natte boltemperatuur bleek namelijk een hoge voorspellende waarde te hebben.

In het onderzoek werden alleen de prestaties van de nummers 1, 2 en 3 werden betrokken. Daarbij werden drie groepen onderscheiden: records, normale tijden en trage tijden. De laatste groep bevat 24 gevallen, waarin de tijd meer dan 4.5 minuut boven het op dat moment bestaande record lag. Door het bestaande record als uitgangspunt te nemen werd automatisch gecorrigeerd voor de tendens naar snellere tijden. Het aantal recordtijden bedroeg 31. Zowel de temperatuur als de relatieve vochtigheid vertoont daarbij een grote spreiding, respectievelijk van 3 tot 18 graden en van 17 tot 93%, maar de natte boltemperatuur bedroeg steeds 7.8 graad of minder. Verder was het in 25 van de 31 gevallen geheel bewolkt; in de 6 overblijvende gevallen was de lucht ondanks de bewolking extreem droog met een relatieve vochtigheid van 28% of minder. Wat lichte regen vormt kennelijk geen bezwaar; die trad in meer dan de helft van de gevallen op. Kennelijk weegt het voordeel van betere warmteafvoer ruimschoots op tegen de hinder die van natte kleding en schoeisel wordt ondervonden.

Vergelijken we de weergegevens van de recordtijden met die van prestaties beneden de maat, dan blijken temperatuur en relatieve vochtigheid ook daar sterk uiteen te lopen. In 22 van de 24 gevallen was de natte bol temperatuur echter 7.8 graad of hoger. Negentien keer was de bedekkingsgraad 50% of minder; in de vijf resterende gevallen was het weliswaar geheel bewolkt, maar de natte boltemperatuur had extreem hoge waarden. Lichte regen kwam niet voor tijdens de trage marathons; wel viel er tweemaal meer dan 13 mm tijdens de race.

Hoewel deze gegevens al duidelijk in een bepaalde richting wijzen, voerden Tropasso en Cooper er nog een statistische analyse op uit, die hun vermoedens bevestigde. Met de natte bol temperatuur liggen de tijden van de marathon al voor bijna 55% vast; weet men tevens de bedekkingsgraad dan kunnen de prestaties voor bijna 70% geduid worden. Relatieve vochtigheid, maar vooral neerslag en temperatuur, voegen daaraan nog maar weinig toe.

De resultaten hebben betrekking op mannelijke koplopers; de auteurs nemen echter aan dat vrouwen zich op vergelijkbare wijze laten beinvloeden door de weersomstandigheden. Van belang is wel dat het om topatleten gaat; deze elite lopers mijden het peleton en gaan soms al vanaf het begin op kop; daarmee profiteren ze optimaal van de weersomstandigheden. Hun collega's die zich en groupe verplaatsen staan er aanzienlijk slechter voor; hun lot werd reeds in 1985 geschetst in het Journal of Climate and Applied Meteorology door de C.R. de Freitas en medewerkers uit Nieuw Zeeland. Zij verbaasden zich erover dat tijdens een 10.4 km lange trimloop in Auckland, waaraan in het vroege voorjaar van 1982 naar schatting 80 000 mensen deelnamen, de hitte een zware tol eiste, ondanks de als gunstig beoordeelde weersomstandigheden. Uit hun onderzoek bleek dat de luchttemperatuur voor een trimmer in groepsverband ongeveer 2 graden hoger lag dan voor een solist. Toch waren de gevolgen hiervan voor de warmteafvoer door het lichaam nog niet zo groot. Ook het feit dat de afkoeling van het lichaam door uitgezonden warmtestraling weer teniet werd gedaan door de terugontvangen warmtestraling van de lopers rondom bleek niet het belangrijkste probleem. De groepsloper krijgt het vooral benauwder, doordat de warmteafvoer door langsstrijkende lucht veel kleiner wordt. De groep trimmers voert als het ware zijn eigen lucht met zich mee; ze lopen in een afgesloten, vrij warme en vochtige kamer met onzichtbare wanden die met de groep mee door de atmosfeer beweegt; daardoor ervaren zij een veel grotere hittebelasting dan de eenlingen, die ver vooruit zijn of achterblijven. Het effect doet zich overigens niet alleen voor tijdens massale trimlopen; ook in andere gevallen, waarin grote mensenmassa's bijeen zijn, zoals tijdens de bedevaarten te Mekka, slaat de hitte gemakkelijk toe. De getalenteerde maratonloper, die snel een positie op kop kiest, hoeft dit dus niet alleen uit machtsvertoon te doen; hij kan zich ook vrijer bewegen en profiteert meer van de warmteafvoer naar de omringende lucht, binnen de grenzen van de mogelijkheden bij de heersende weersomstandigheden.