| ![]() |
'Kamervragen' van scoringsbewuste politici, of een desastreuze storm niet voorspeld had kunnen worden, leidden 150 jaar geleden tot een eerste opbloei van de weerkunde. De orkaan had de Britse en Franse leger tijdens de Krim-oorlog een zware slag toegebracht en regeringen en legerleidingen moesten herhaling van zo'n ramp zien te voorkomen.
![]() |
![]() |
| Impressie van geveachten op de
Krim, 1854. | De
Krim, 13 april 2000, met algenbloei in de Zee van Azov vanuit de satelliet Seastar. |
Een ongekend zware storm teisterde
het schiereiland de Krim in de Zwarte Zee op 14 november 1854. Hoewel een dergelijke
gebeurtenis zo ver weg 150 jaar later normaliter in het vergeetboek zou zijn geraakt,
vormt deze orkaan van Balaklava een uitzondering. Dat komt doordat er op dat moment
in die omgeving een oorlog werd uitgevochten tussen Rusland en de geallieerden,
Engeland en Frankrijk. Balaklava ligt enkele kilometers ten zuiden van Sebastopol,
destijds de belangrijkste Russische marinehaven aan de Zwarte Zee. Onder het voorwendsel
de Griekse orthodoxie te beschermen, was de Russische Tsaar Nikolaas I Turkije
binnengevallen. De geallieerden hechtten echter aan de instandhouding van het
machtsevenwicht dat zich had ingesteld na de Napoleontische oorlogen en stuurden
in september een omvangrijke Brits-Franse vloot naar de Zwarte Zee. Het leger
ging aan land op de Krim en na een aantal zinloze en bloedige veldslagen begon
de belegering van Sebastopol. Balaklava werd de aanvoerhaven voor de geallieerden,
die zo ver van huis hun voorraden over een afstand van 4000 km. moesten aanslepen.
Ter vergelijking: de afstand tussen Moskou en de Krim bedraagt ongeveer 1500 km.
November 1854 begon in de regio met rustig herfstweer. Op 5 november werd bij
Inkerman nog een slag uitgevochten in de voor dit weertype zo karakteristieke
mist. Door het slechte zicht konden de Russen hun leger onopgemerkt in paraatheid
brengen. Tegelijkertijd hielp de mist de Britten de moed erin te houden, doordat
ze zich geen beeld konden vormen van de geweldige overmacht van de tegenpartij.
Daardoor hielden ze stand tot Franse versterkingen arriveerden, zodat de slag
toch nog onbeslist, maar met aan beide kanten grote verliezen, kon eindigen.
Tegen het geweld van de orkaan van 14 november was echter geen kruid gewassen.
De Fransen verloren hun belangrijkste oorlogsschip Henri IV, terwijl de Britten
hun trots, de stoomboot Prince, in de golven zagen verdwijnen. Tegelijkertijd
moest de 7000 ton lading van medische voorraden, schoenen en winterkleding, als
verloren worden beschouwd. Daarmee stond de Britse landmacht in de kou, machteloos
als ze was tegenover de verschrikkingen van de Russische winter, waarin verder
niets meer ondernomen kon worden.
Het thuisfront was geschokt, mede door de
onbeschrijflijke situatie in de veldhospitalen. Er kwamen spontane geldinzamelingsacties
en de tijd bleek rijp voor de befaamde missie van Florence Nightingale. Maar ook
kwam toen al de vraag op die scoringsbeluste politici vandaag de dag nog steeds
zouden stellen: had een dergelijke storm niet voorzien kunnen worden?
Let
wel: het was 1854. In die tijd leefde de mensen nog dicht bij de natuur. Boeren
en zeelieden kenden hun weerspreuken en gebruikten die voor hun eigen kortetermijnverwachtingen.
Equivalenten van de Enkhuizer Almanak gingen als broodjes over de plank. Wetenschappers
keken weliswaar al meer dan honderd jaar gefascineerd naar kwikkolommen van barometers,
hadden enig besef van de omvang en verplaatsing van stormen en waren druk doende
weerwaarnemingen te verrichten en te archiveren, maar van routinematige real time
uitwisseling van meetgegevens was nog geen sprake, laat staan van weeranalyses
of prognoses.
Toch was de tijd rijp voor een antwoord op de vraag over de
voorspelbaarheid van de storm. Zo werkte W. Brandes van de Universiteit van Breslau
in Pruissen in 1816 waarnemingen uit die in 1783 op een groot aantal plaatsen
waren verricht. In 1820 verscheen zijn boek, waarin hij 37 jaar na waarnemingstijd
concludeerde dat er een verband bestond tussen weersverschijnselen en zich verplaatsende
lagedrukgebieden. Daarmee was de basis gelegd voor de synoptische meteorologie,
de tak van de weerkunde die zich bezig houdt met het maken van weersverwachtingen.
Ook in de Amerikaanse wetenschappelijke literatuur verschenen stormverslagen,
gebaseerd op weerkaarten met luchtdrukpatronen, maar nog steeds zat er veel tijd
tussen de waarnemingen en het beschikbaar komen van de analyse.
Dat veranderde
met de opkomst van de telegraaf. Op instigatie van de Londense krant Daily News
werd op 14 juni 1849 voor het eerst en eenmalig een weerkaart gemaakt die gebaseerd
was op telegrafisch verzonden weerrapporten. Tijdens de wereldtentoonstelling
van 1851 in Londen werd dat in de periode van 8 augustus tot en met 11 oktober
nog eens overgedaan. De actuele weerkaarten spraken weliswaar tot de verbeelding,
maar de regeringen van Engeland en Frankrijk voelden zich nog niet genoodzaakt
weersverwachtingen financieel mogelijk te maken. Ook na een conferentie in Brussel
in 1853, waar de diverse overheden werd gevraagd weerwaarnemingen te gaan verrichten
en uit te wisselen, kwam daarin weinig verandering. Alleen in Nederland kwam het
vrij snel tot de oprichting van een meteorologisch instituut, bij Koninklijk Besluit
van 31 januari 1854; de Utrechtse hoogleraar Buys Ballot, bekend van de wet van,
werd de eerste directeur. In Engeland en Frankrijk bleven de meteorologische inspanningen
beperkt tot het doen van waarnemingen. Voor de Britten was de zeevaart de belangrijkste
beweegreden om waar te nemen; de Fransen wilden meer te weten komen over het klimaat
van hun kolonie Algerije, waar ze geconfronteerd werden met uiteenlopende problemen
als de groei van gewassen, de onbegaanbaarheid van modderige wegen en de kleding
van militairen. Zonder de orkaan van Balaklava zou de weerkunde in die landen
nog geruime tijd op een laag pitje gebleven zijn. Maar nu de weergoden het gemunt
bleken te hebben op hún leger, kwam daarin verandering. Binnen een maand
na de storm kreeg Robert Fitz Roy, admiraal bij de Britse marine, de opdracht
een afdeling op te zetten van de Board of Trade die weerwaarnemingen ging verrichten
en verzamelen. Vrij snel daarna begon deze dienst windwaarschuwingen uit te geven;
daarmee was de Britse weerdienst een feit.
In Frankrijk werd de befaamde sterrenkundige
Le Verrier gevraagd te onderzoeken of de vernietigende storm voorspeld had kunnen
worden. Hij verzamelde 250 weerrapporten van 11 tot 16 november 1854 uit heel
Europa, tekende weerkaarten en kwam tot de slotsom dat de ramp te voorzien was
geweest. In februari 1855 kwam hij met een plan dagelijks weerkaarten te tekenen
voor Frankrijk. Keizer Napoleon III keurde het project direct goed; hij had namelijk
die dezelfde maand al in een nieuwe storm bij Toulon een militair transport schipbreuk
zien lijden waarbij 400 infanteristen omkwamen. Eén orkaan in oorlogstijd
bleek goed voor de oprichting van de twee grootste weerdiensten in Europa en verschafte
zo het pionierende KNMI in een klap zijn belangrijkste collega-instituten.