
Kees
Floor, de Volkskrant, 13 oktober 1990. ![]()
Konijnen, vossen en andere dieren, waarop met honden de jacht wordt ingezet, verraden hun aanwezigheid en nabijheid door de sporen die ze afgeven of achterlaten. De geuren die ze verspreiden worden door de honden opgemerkt en gevolgd, totdat ze het spoor bijster zijn of de prooi aantreffen. De mate waarin de jacht tot succes leidt hangt af van de weersomstandigheden. Vooral in zeer vochtige lucht kunnen de honden hun werk goed doen. Dat is althans de ervaring van de brit Paul C. Spink, die hij beschrijft in een eerder dit jaar verschenen nummer van het "Journal of Meteorology".
Spink, die er al zo'n 55 jaar met zijn beagles op uit trekt om zijn prooi te verschalken, is vooral gefascineerd door de manier waarop de honden het geurspoor volgen en de rol die de weersomstandigheden daarbij spelen. In zijn beschrijving gaat hij uit van een bron, het geurspoor, een detector, de neus van de jachthond en een medium waardoor de geuren zich verspreiden, de atmosfeer. Of geuren vanuit de bron de detector kunnen bereiken hangt af van de toestand van de atmosfeer, met andere woorden van het weer. Deze geuren zijn slechts ten dele afkomstig van de prooi zelf. In dat geval gaat het om deeltjes die na contact met het lichaam achterblijven in begroeiïng langs het gevolgde pad. Verder kan er sprake zijn van geurbronnen als urinespatjes, bloed uit schrammen, speeksel of door klieren afgescheiden stoffen. Via de adem komt er tevens lichaamsgeur in de lucht terecht; deze verspreidt zich met de wind mee en kan door de honden soms tot op tientallen meters afstand nog opgemerkt worden.
Belangrijker dan de lichaamsluchtjes zijn echter de geuren, die niet rechtstreeks afkomstig zijn van de prooi, maar die tot stand komen door toedoen van het wegvluchtende dier. De poten raken namelijk vrij snel bedekt met een laagje stof (bij droog weer) of modder (bij nat weer), zodat het contact met de grond of de begroeiïng belemmerd wordt en er nog maar weinig lichaamsgeuren worden uitgezet. Door het gewicht van het dier breken er echter grassprietjes en stengels van kruiden. Daarbij komen sappen vrij, die een andere geur verspreiden dan de onbeschadigde begroeiïng, waar de prooi niet doorheen is gerend. Maar ook bij kale grond of op omgeploegd land is het verschil door geoefende honden goed te ruiken. Het toplaagje van droge aarde raakt stuk en modder wordt enigszins omgewoeld als er een mogelijke prooi langskomt; in dat geval gaan er, net als bij beschadigde begroeiïng, afwijkende geuren optreden.
Voorwaarde voor een in de ogen van de jagers geslaagde jachtpartij is dat de geuren, die de aanwezigheid van een dier verraden, door de jachthond worden opgemerkt. De problematiek doet meteorologen enigszins denken aan die van de verspreiding van luchtverontreiniging. Een belangrijk verschil is echter dat de jager niet gebaat is bij een te sterke verdunning van de door de bron uitgestoten stoffen, omdat de detector dan wel eens te ongevoelig zou kunnen blijken. Het moet dus niet te hard waaien. Toch mag ook het gebied waarover de geur waarneembaar is niet te klein zijn, zodat windstil weer eveneens ongewenst is. Verder kunnen als er wat wind staat de geur van het spoor waarlangs de prooi tracht te vluchten en de geur van de adem, die door de wind wordt meegevoerd, elkaar versterken. Onder zulke omstandigheden lukt het de troep toch het spoor vast te houden; sommige honden volgen het grondspoor en andere de door de wind meegevoerde geur.
Verspreiding en verdunning van geuren, die door een bron worden uitgestoten, hangen niet alleen af van de wind; turbulentie is zeker zo belangrijk. De onderste laag van de dampkring wordt door deze turbulentie voortdurend omgeroerd, zodat verdunning en verspreiding ook in opwaartse richting kunnen plaatsvinden. Bij sterke turbulentie is de jacht moeilijk. Sterke turbulentie treedt op bij harde wind en overdag bovendien bij zonnig weer als de bodem door de zon wordt opgewarmd. Bij geringe turbulentie hebben de honden het veel gemakkelijker, doordat de geuren sterker blijven. Situaties met weinig turbulentie treden op bij rustig weer en als het aardoppervlak kouder is dan de lucht erboven. Vooral in heldere nachten is er weinig turbulentie, maar dan kan er natuurlijk door de duisternis niet gejaagd worden. Soms neemt de turbulentie ook al af in de tweede helft van de middag, als de zon laag staat en de nachtelijke afkoeling reeds vroeg inzet. Dan kan het gebeuren dat, net op het moment dat de jacht wordt afgeblazen, de honden actief worden, doordat de omstandigheden voor het waarnemen van geuren opeens sterk verbeteren.
Zonneschijn is niet alleen ongunstig voor de jacht doordat de turbulentie sterker wordt. Onder invloed van zonlicht treden tevens chemische reacties op, waarbij sommige geurstoffen, voornamelijk stoffen die afkomstig zijn van stukgetrapte begroeiïng, worden afgebroken en geneutraliseerd. Regen is eveneens ongewenst, omdat dan geursporen worden uitgewist, al kan water wel lichaamsgeuren bevatten. Ook vorst en sneeuwval hebben een belangrijke invloed op het verloop van de jacht. Als overheersende meteorologische factor ziet Spink echter de relatieve vochtigheid van de lucht. In vochtige lucht zijn geuren minder vluchtig dan in droge lucht. De jacht belooft, als het weer niet in andere opzichten tegenzit, succesvol te worden bij een relatieve vochtigheid van 80 procent of meer; boven kale grond en omgeploegd land is een luchtvochtigheid vereist van minstens 90 procent. Deze drempelwaarden gelden bij een luchttemperatuur van 5 tot 10 graden en worden nog iets hoger bij warmer weer.
Vochtige oceaanlucht, aangevoerd met een wind uit richtingen tussen zuid en west, lijkt het best te voldoen aan de door de jacht aan het weer gestelde eisen, zolang er maar geen regen valt. Deze lucht bevat meestal veel bewolking, zodat de zon zijn neutraliserende werk niet kan doen en de turbulentie zwak blijft. De relatieve vochtigheid is onder deze omstandigheden hoog genoeg om aan Spink's eisen te voldoen.