Verwarring over gevoelstemperatuur suddert voort
In de wind voelt het altijd kouder aan dan uit de wind. Dat hebben we de afgelopen dagen goed kunnen merken. Vooral tijdens vorstperioden is het verschil aanzienlijk. Zo voelt het bij tien graden vorst en windkracht zeven net zo koud aan als bij min 34 graden en windkracht 2. Sommige meteorologische diensten, zoals die van de Verenigde Staten en van Groot Brittannië, verstrekken in hun weerberichten dan ook aanvullende informatie over de mate van doordringendheid van de kou en de kans op bevriezing van lichaamsdelen. Dat gebeurt door het noemen van een "afkoelingsfactor" of een "gevoelstemperatuur". In Nederland zijn deze termen in de standaard weerberichten niet ingeburgerd; wat uitgebreidere weerpraatjes bevatten incidenteel een verwijzing naar de gevoelstemperatuur. Bij het bepalen van de gevoelstemperatuur is vooral de snelheid belangrijk, waarmee de blote huid wordt afgekoeld; daarover is men het gewoonlijk wel eens. Minder eensgezindheid is er over de te volgen procedure. De oudste rechten bezit de methode van de Amerikanen Siple en Passel, ontwikkeld kort voor en tijdens de tweede wereldoorlog. Siple was majoor in de landmacht, gelegerd in Antarctica en geïnteresseerd in het bijtend effect van de kou op de manschappen ter plaatse. Hij bestudeerde daartoe de snelheid waarmee een cilinder, gevuld met warm water, afkoelt; de tijd die nodig was om het geheel af te koelen van plus 10 graden tot de temperatuur van de omgeving werd gehanteerd als maat. De formules die zo werden ontwikkeld voor de afkoelingsfactor worden in Amerika nog steeds gebruikt. Het grote voordeel van de methode was haar charmante eenvoud, maar voor anderen was dit argument niet zwaarwegend genoeg om de procedure over te nemen. Dat de luchtvochtigheid geen rol speelt is te billijken; deze is in dit soort situaties inderdaad niet zo van belang. Erger is dat geen rekening wordt gehouden met de zonnestraling. Op Siple's basis in Antarctica kwam gedurende de wintermaanden de zon niet boven de horizon. In Nederland en op andere zuidelijker dan Antarctica gelegen plaatsen is dat uiteraard anders, vooral in februari als de zon weer redelijk wat kracht bezit. Maar het belangrijkste bezwaar tegen de Amerikaanse procedure is de "naakte" opstelling; het belang van kleding is kennelijk over het hoofd gezien.
Rond 1970 koos Steadman voor een andere benadering. Hij wilde vooral weten hoeveel kleding er nodig was om mensen tegen bittere kou te beschermen. Doordat een aangekleed persoon zich in bijtende vrieskou langer kan handhaven dan iemand die ongekleed is, mag men verschillen verwachten. Steadman's methode sluit meer aan bij de realiteit en wordt dan ook gebruikt door bijvoorbeeld het KNMI en de Britse Weerdienst. Toch betekent dit nog niet dat een Nederlandse meteoroloog in dezelfde weersituatie met dezelfde waarden voor de gevoelstemperatuur zal komen als zijn Engelse collega. Dat komt door verschil van inzicht in welke windsnelheid als "normaal" moet worden beschouwd. Zowel in de Verenigde staten als in het Verenigd Koninkrijk geeft men de voorkeur aan een windsnelheid van ongeveer 2 m/s, dat is een zwakke wind, kracht 2. Wie uit is op extreem lage gevoelstemperaturen zou kunnen besluiten om nog lager te gaan zitten. Het KNMI heeft echter de voorkeur gegeven aan een wat hogere waarde voor de normale windsnelheid; het gevolg van deze aanpak is dat gevoelstemperaturen minder extreem zijn. Zo is de gevoelstemperatuur volgens de KNMI procedure min 22 graden in plaats van min 34. Als uitgangssituatie kiest men een windsnelheid van 5 m/s, 18 km/uur, een matige wind, kracht 3. Deze windsnelheid komt overeen met de gemiddelde wind boven land. De procedure die het KNMI volgt levert veel minder extreme waarden op, dan op basis van de authentieke onderzoekspublicaties verwacht mag worden.
Ook in gevallen waar de meer extreme methode gevolgd wordt, doet men er soms een extra schepje boven op. Men combineert dan de laagst gemeten temperatuur in Nederland met de hoogste verwachte windsnelheid. In de praktijk geeft dat onrealistische waarden voor de gevoelstemperatuur. Aan zee waait het nu eenmaal harder, maar het is er meestal minder koud. De gevoelstemperaturen lopen daardoor over het land genomen niet zo veel uiteen. Dit verklaart ook waarom men bijvoorbeeld in de kop van Noord Holland even snel kan schaatsen als in het Utrechts weidegebied; het is er misschien wat zachter, maar de steviger wind geeft compensatie.
Er is nog een gebruik dat leidt tot overschatting van de kou, dus tot te lage waarden voor de gevoelstemperatuur. De windsnelheid uit de weersverwachting en de weerrapporten geldt namelijk volgens internationale afspraak voor een hoogte van 10m. Op anderhalf à twee meter hoogte is de windsnelheid slechts driekwart van de standaardwind. Met deze hoogteafhankelijkheid van de windsnelheid wordt vrijwel nooit rekening gehouden. Doet men dat wel, dan blijken de gevoelstemperaturen opnieuw minder extreem dan bij zorgvuldige interpretatie van de weergegevens.
Wie wil weten hoe koud het is of hoe koud het aanvoelt ontkomt er niet aan zelf, soms tegen de adviezen van de weerkundigen in, de neus buiten de deur te steken en zelf zijn indrukken te wegen. Zelfs dan mag men niet verwachten dat de resultaten steeds vergelijkbaar zijn; na verloop van tijd treedt er gewenning op en kan men meer kou aan.
De afgelopen dagen was het in De Bilt weliswaar bitter koud, maar records voor de gevoelstemperatuur traden niet op. Het bleef bij 12 graden vorst en windkracht 4. Veel kouder waren bijvoorbeeld 14 januari 1987 en 31 december 1978 met ongeveer dezelfde temperatuur maar veel meer wind, kracht 5 tot 7.