"Bangla Desh" en andere natuurrampen

Kees Floor, de Volkskrant 18 mei 1991

De tropische cycloon die op 30 april Bangla Desh teisterde, heeft vermoedelijk een gigantisch aantal slachtoffers gemaakt. Inmiddels circuleren dodentallen tot een kwart miljoen. De vraag dringt zich op hoe deze ramp zich verhoudt tot andere natuurrampen uit het directe en verdere verleden. De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) beschikt over de benodigde gegevens. Net vorig jaar koos de WMO het tegengaan van natuurrampen als hoofdthema in het veertigste jaar van haar bestaan. De gegevens over rampen worden onder andere gebruikt door klimaatonderzoekers om de gevolgen van klimaatveranderingen in het juiste perspectief te kunnen zien.

Reeds voordat de recente ramp in Bangla Desh plaatsvond stonden tropische cyclonen bij meteorologen bekend als veroorzakers van natuurrampen met gezamenlijk de grootste aantallen slachtoffers. Zo vielen er door cyclonen, die afhankelijk van het gebied waar ze optreden ook wel typhoon, willy-willy of hurricane worden genoemd, in de periode 1947 tot 1980 bijna 500.000 doden. Dit aantal is groter dan bijvoorbeeld bij aardbevingen, die in diezelfde periode 450.000 slachtoffers maakten. Hoewel meteorologen niet het alleenrecht hebben op natuurrampen, blijkt een rampen-toptien toch voor 70% verschijnselen te bevatten die opgewekt worden in de atmosfeer of samenhangen met de kringloop van het water in die atmosfeer. Daarbij zijn luchtverontreinigingsepisoden, droogteperioden en andere rampen voor de landbouw dan nog niet eens meegerekend.

Tropische cyclonen ontstaan in gordels aan weerszijden en op enige afstand van de evenaar boven warm oceaanwater; ze zijn vooral berucht door de hoge windsnelheden die er bij optreden, door de hoge golven die door deze orkaanwinden worden opgewekt en door de hoge waterstanden langs de kusten rond de zeegebieden waar ze actief zijn. Op de Stille Oceaan en in het Caraïbische gebied hebben alle cyclonen een naam; in de Golf van Bengalen gaan de orkanen echter naamloos door het leven. Vooral de hoge waterstanden leveren gevaar op in het gebied rond de Golf van Bengalen. Een andere bedreiging voor de kusten langs oceanen vormen de door aardbevingen onder de zeebodem opgewekte tsunami's of vloedgolven. Ook deze komen, met 5000 slachtoffers in de genoemde periode, voor op de rampen top-tien van de WMO, zij het op een met lawines en aardverschuivingen gedeelde laatste plaats. Het gat tussen de nummers 1 en 2 en de overige natuurrampen in de lijst is vrij groot. Toch eisten buiten hun oevers tredende rivieren nog een tol van 194.000 mensenlevens; dat is gezien de redelijk goede voorspelbaarheid van hevige regen en de gevolgen daarvan voor de rivierwaterstanden een verbijsterend hoog aantal. Ook bij dit type overstromingen vielen er in het verleden slachtoffers in Bangla Desh, recentelijk nog in juli 1988, toen driekwart van het land onder water stond.

Een overzicht van rampen die de mensheid troffen tot in een ver verleden werd vorig jaar opgesteld door de Japanse klimatoloog Yamakawa. Uit zijn gegevens blijkt dat natuurrampen ten gevolge van een kortstondige gebeurtenis, zoals een tropische cycloon, een aardbeving of zware regenval, ook in vroeger tijden ontzagwekkende aantallen slachtoffers eisten. Toch zaaiden ze minder verderf dan droogteperioden, hongersnoden en besmettelijke ziekten. De ergste droogteperiode uit de geschiedenis trad op van 1876-1879 in het Noorden en Westen van China en staat genoteerd voor 15 miljoen slachtoffers. Ook toen al deelden de Bengalen in de ellende; er vielen in de genoemde jaren door de zelfde oorzaak 4.5 miljoen slachtoffers. De verschrikkelijkste ramp in het bestaan van de mensheid noemt Yamakawa de pestepidemie aan het eind van de 14e eeuw met vermoedelijk 75 miljoen doden in Europa en 20 miljoen in China.

De volgorde in de rampen-toptien van de WMO verandert als men met Yamakawa's gegevens gaat ordenen naar het aantal slachtoffers per gebeurtenis. Het buiten de oevers treden van de Gele Rivier kostte in juli en augustus 1931 3,7 miljoen Chinezen het leven. De aardbeving met de hoogste tol vond eveneens plaats in China en wel op 23 januari 1556; er vielen door een beving met magnitude 8.8 op de schaal van Richter 830.000 doden. Hoge kustwaterstanden komen op een derde plaats: 300.000 slachtoffers in 1970 in hetzelfde gebied dat onlangs opnieuw werd getroffen. Het ziet er naar uit dat dit aantal ditmaal dicht genaderd of zelfs overtroffen zal worden. Andere omvangrijke overstromingsrampen, elk met 200.00 slachtoffers vonden plaats in 1737 te Bengalen, in 1881 in Vietnam en in 1882 in India.

Yamakawa onderzocht ook de geografische spreiding van de diverse rampen. Epidemieën komen wereldwijd voor. Aardbevingen en vulkanisme concentreren zich voornamelijk op plaatsen waar zogeheten "aardschollen", afzonderlijke delen van de aardkorst, elkaar ontmoeten, vaak aan de randen van continenten. Zware overstromingen treft men overal aan langs grote rivieren. Als de overstromingen zijn vergeten blijft vruchtbaar land achter; dit trekt de nieuwe mensen aan, die mogelijk slachtoffer worden van de volgende overstroming. Droogteperioden doen zich hoofdzakelijk voor in en rond de subtropische hogedrukgordel. Vooral gebieden als India en China, waar de moesson optreedt, zijn kwetsbaar. Blijven de moessonregens eenmaal uit, dan gaat het meteen mis. Schade door tijdens stormen of orkanen opgejaagd zee- of oceaanwater doet zich vooral voor langs de kusten van de Golf van Bengalen en van de Noordzee. In het eerste geval zijn tropische cyclonen de oorzaak; in onze omgeving gaat het om de actieve stormdepressies van de gematigde breedten. Opmerkelijk zijn ook de verschillen tussen de periode tot 1800 en de laatste twee eeuwen. Een overstromingsramp zoals in China, kon alleen in deze eeuw zoveel slachtoffers maken door overbevolking en door ontbossing; bossen fungeren namelijk als "spons" en houden een deel van het regenwater nog enige tijd vast, voordat het met rivieren afgevoerd moet worden. Verder blijkt dat de watersnoodrampen zich geleidelijk verplaatst hebben van Nederland en omgeving naar Zuidoost Azië. Zo komt Nederland op Yamakawa's lijst van natuurrampen met minstens 100.000 slachtoffers maar liefst viermaal voor. De eerste maal was dat het geval in 1099; de stormvloed teisterde Nederland, maar vooral Zuidoost Engeland. In 1228 viel een zelfde aantal slachtoffers, toen uitsluitend in de Lage Landen. De St Elisabethsvloed van 18 november 1421, waarbij de Biesbos werd gevormd, eiste eveneens een tol van 100.000 doden. En de laatste maal dat een dergelijke immense stormvloed plaatsvond, in 1642, lag het aantal slachtoffers zelfs nog 10% hoger. Daarna leek Nederlands rol in dit opzicht uitgespeeld en werd de fakkel overgedragen aan Zuidoost Azië, het gebied waarheen dit soort rampen zich in de 18e eeuw heeft verplaatst en waartoe het zich sindsdien heeft beperkt. Overigens wijken Yamakawa's gegevens nogal af van die van Elisabeth Gottschalk, die in de zeventiger jaren een driedelig standaardwerk over stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland het licht deed zien.

De WMO heeft zich vorig jaar tot taak gesteld derde wereldlanden mee te laten profiteren van de kennis en technologie die in de rijke landen aanwezig is om de meteorologie en hydrologie toe te passen bij het terugdringen van het aantal slachtoffers van natuurrampen. Vergelijkbare gebeurtenissen in het Westen leiden namelijk tot veel minder slachtoffers. De inspanningen van de WMO passen in de acties rond de "decade voor het terugdringen van de gevolgen van natuurrampen" IDNDR (International Decade for Natural Disaster Reduction), een uitvloeisel van een door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen resolutie. De meteorologen halen graag het voorbeeld aan van de tropische cycloon Gilbert, de ongeremdste hurricane van de eeuw, die het Caraïbische gebied teisterde in 1988. Er traden windsnelheden op tot ruim 300 km/uur, wat resulteerde in een enorme materiële schade. Desondanks waren er vrijwel geen dodelijke slachtoffers, doordat weersatellieten de hurricane van uur tot uur volgden en de uitgegeven waarschuwingen serieus werden genomen. Bovendien zijn bevolking en overheden daar vandaag de dag goed op dit soort calamiteiten voorbereid. De berichten uit Bangla Desh wijzen er echter op dat de situatie er anders ligt en dat het verbeteren van de meteorologische mogelijkheden alleen niet voldoende is. Op de mondjesmaat uitgegeven waarschuwingen werd niet adequaat gereageerd en voorzieningen om de gevolgen van dit soort overstromingen binnen de perken te houden zijn schaars of ontbreken geheel. Zolang een deltaplan er ver achter de financiële horizon blijft, mag men herhalingen van rampen met een vergelijkbare omvang als de huidige niet uitsluiten.