Schrijven voor dagbladen (2)
Weerpraatjes: de puntjes op de i.
Kees Floor, KNMI Meteorologische Opleidingen;
Verschenen in Meteorologica juni 1996 en in Weerspiegel augustus
1996.
Het schrijven en presenteren van weerpraatjes vraagt veel van de meteoroloog en niet alleen op weerkundig gebied; ook aan taal, stijl en spelling worden hoge eisen gesteld. De afgelopen jaren legde ik een verzameling aan van valkuilen die de weerkundig medewerker van dagbladen en andere nieuwsmedia op zijn weg geregeld ontmoet; ik vond ze zowel in mijn eigen weerpraatjes als in die van anderen. Dit artikel bevat een selectie van de laag-bij-de-grondse problemen die de vreugde over een afgeleverd stukje zo kunnen vergallen. Een blik op de teksten in de kaders geeft een snelle indruk van de problematiek die aan de orde komt.
1. Letters
De spelling stelt de weerjournalist vaak voor problemen; talrijke weerpraatjes leggen daarvan getuigenis af. De moeilijkste letters zijn de d en de t, de ei en de ij, de c en de k en de zogeheten tussen-n. De regels voor d's, t's en dt's zijn eigenlijk niet echt moeilijk en vrijwel iedereen heeft ze onder de knie; bovendien blijven ze bij de overgang naar de spelling 1996 ongewijzigd. Doordat je al formulerend echter weinig of geen aandacht hebt voor spelling, sluipen er soms toch fouten in afgeleverde teksten. Je kunt ze voorkomen door een eerste versie van je weerpraatje door te nemen op dergelijke foutenbronnen; je kunt ook anderen vragen je stukje nog even door te lezen.
Voor de overige probleemletters zit er niets anders op dan de regels een keer te leren (denk om de spelling 1996) of in voorkomende gevallen het zogeheten 'Groene Boekje' te raadplegen. Daarnaast blijkt een programma voor spellingcontrole van je tekstverwerker vaak wonderen te doen.
2. Hoofdletters
In een beperkt aantal gevallen hebben we bij het schrijven van weerpraatjes te maken met een keuze tussen hoofdletters en kleine letters. Aardrijkskundige namen worden altijd geschreven met een hoofdletter; we gaan daar verderop dieper op in (zie 'Aardrijksundige namen' en de blokken 12 en 13). Daarnaast krijgen erkende christelijke en nationale feestdagen een hoofdletter; daarvan afgeleide woorden worden echter zonder hoofdletters geschreven (blok 1).
Namen van windstreken krijgen een kleine letter; voor de afkortingen ervan worden hoofdletters gebruikt. In 'de Volkskrant' (1992) wordt Top-10 eveneens met een hoofdletter geschreven; 'van Dale' (1995) houdt het op top-tien.
| hoofdletter | kleine letter |
|
|
Blok 1: hoofdletters en kleine letters
3. Spaties
Naast de 26 letters van het alfabet spelen ook leestekens en spaties een belangrijke rol in geschreven teksten. Dat twee woorden worden gescheiden door een spatie zal voor niemand nieuw zijn. De spatie na een leesteken, zoals punten of komma's, is minder vanzelfsprekend; in de krant schrijven we deze altijd, maar NOS Teletekst bijvoorbeeld laat haar in de pagina's met nieuws en weer gewoonlijk weg (Van Klaveren 1993).
De meeste problemen levert de spatie echter in gevallen waarbij we twijfelen of twee woorden aan elkaar geschreven moeten worden of los. Samenstellingen van twee of meer delen schrijf je aaneen (zie blok 2). Om de leesbaarheid te vergroten mag de schrijver zo nodig een zogeheten koppelteken toevoegen (zie 'Streepjes'). Een koppelteken is zelfs verplicht in samenstellingen zoals zee-engte.
Verder schrijf je volgens het Groene Boekje woorden als bijvoorbeeld, nogal, dezelfde, hetzelfde, tezamen, vasteland, prijsgeven, teweegbrengen en veelbelovend. Ook samenstellingen met er worden gewoonlijk als een woord geschreven. Altijd los staan onder andere: een zelfde, deze zelfde, te zamen en te voorschijn.
Soms ook verandert de betekenis door toevoeging van een spatie; dat is bijvoorbeeld het geval bij tenminste (althans) en ten minste (minstens, op z'n minst). Tekort en teveel schrijf je alleen als zelfstandig naamwoord aan elkaar.
De voorbeeldzinnen in het tweede blok illustreren de problemen; let vooral op de cursiveringen.
| tweeledige samenstelling | drieledige samenstelling | * | weglatingsstreepje |
| * | |||
| vasteland | nattesneeuwbuien | * | regen- en onweersbuien |
| oranjezonnetje | hardnekkigemistgebieden | * | hoge- en lagedrukgebieden |
|
koufront |
hogedrukzones | * | Noord- en Zuid-Holland |
| weersomslag | lagedrukgebieden | * | windrichting en -kracht |
Blok 2 (links en midden): twee- en driedelige samenstellingen. Blok 4(rechts): weglatingsstreepje.
4. Streepjes
Streepjes in de tekst zijn gewoonlijk weglatingsstreepjes; ze geven aan dat een deel van het woord ontbreekt en elders in de zin gevonden kan worden (zie blok 4). Vroeger had je ook koppeltekens; ze werden gebruikt om aan te geven wat bij wat hoort in samenstellingen van een bijvoeglijk naamwoord en twee zelfstandige naamwoorden. In de spelling 1996 worden volgens de Leidraad bij het Groene Boekje drieledige samenstellingen doorgaans aaneengeschreven (blok 1, links); in dit artikel wordt dat verder overal gedaan. Koppeltekens zijn niet helemaal afgeschaft; zo komen ze nog voor in aardrijkskundige namen.
|
Blok 3: voorbeeldzinnen 'spatie' en 'aan elkaar of los'.
5. Komma's
Komma's hebben verscheidene functies. Je hebt ze bijvoorbeeld nodig om rustpauzes aan te geven en zo de leesbaarheid te bevorderen (zie blok 5, voorbeeldzin 1). Komma's gebruik je ook om hoofd- en bijzinnen te scheiden (voorbeeldzin 2). In sommige gevallen hoort de komma alleen aan het eind van de bijzin. Zo'n zogeheten beperkende bijvoeglijke bijzin bevat dan informatie die essentieel is voor het begrijpen van de tekst en niet kan worden weggelaten (zin 3). In andere gevallen gaat het om een zogenoemde uitbreidende bijvoeglijke bijzin; de informatie kan eventueel worden weggedacht (voorbeeld 4).
Komma's gebruik je verder aan het begin en het eind van een bijstelling (voorbeeld 5) en tussen twee werkwoordsvormen (zin 6 van blok 3). In zogeheten 'dat-zinnen' horen geen komma's (voorbeeldzin 7).
Woorden als maar, en en want leiden een bijzin in; ze worden gewoonlijk dan ook voorafgegaan door een komma en een spatie, echter nooit door een punt en een spatie.
|
Blok 5: gebruik van komma's.
6. Getallen
Moet je in je stukjes voor de krant getallen aanduiden met cijfers of met letters? Regels als 'getallen tot en met twintig schrijven we altijd voluit' (Van Gessel e.a. 1992) worden in weerpraatjes vrijwel nooit toegepast. Dat komt doordat meteorologen meestal werken met exacte waarden in duidelijk aangegeven eenheden. Ik ga gewoonlijk als volgt te werk: Alle waarden voor temperatuur, windkracht en dergelijke geef ik in cijfers, gevolgd door de gebruikte eenheid (15 graden, windkracht 7). Bij verschillen (meestal temperatuurverschillen) schrijf ik het getal voluit. Soms is het eenmaal noemen van de gebruikte eenheid per zin voldoende en laat ik haar verder weg.
../clouds2.gif
Blok 6: getallen: cijfers of letters? eenheden.
7. Moeilijke woorden
Het Nederlands heeft ook een paar moeilijke woorden of combinaties van woorden.
Het gebruik van ... te danken aan (bij iets positiefs) en ... te wijten aan (bij iets negatiefs) gebeurde in de weerpraatjes die ik las, niet altijd volgens de regels.
De betekenis van het woord normaal in weerpraatjes wijkt meestal af van die in het 'normale' spraakgebruik, waar het volgens de regels, als norm dienend betekent. Dat wekt nog wel eens irritatie bij het algemene publiek, omdat men denkt dat de meteoroloog de atmosfeer wil voorschrijven hoe zij zich dient te gedragen (vergelijk Spier 1991). Ondanks de bezwaren zullen we normaal toch maar gewoon blijven gebruiken.
Oppervlakken, oppervlakten en vlakten kun je niet ongestraft door elkaar gebruiken. De oppervlakte van iets (in km2 of m2) hebben we in weerpraatjes vrijwel nooit nodig. Wel laten we de lucht soms aanstromen over zonverhitte landoppervlakken of relatief koude, deels met ijs bedekte wateroppervlakken. 's Winters zit de Povlakte vaak in de mist.
Geregeld kom je in weerpraatjes regelmatig tegen waar geregeld wordt bedoeld. Regelmatig veronderstelt een vaste regelmaat; geregeld zit ergens tussen vaak en af en toe in.
Gebruik bij voorkeur talrijk in plaats van talloos. Dus: Boven de Noordzee bevinden zich talrijke buien, die met de noordwestelijke stroming het land binnengevoerd worden. Alleen als hun aantal zelfs met de huidige geavanceerde remotesensingtechnieken niet te bepalen is, is het gebruik van talloze te verdedigen.
|
Blok 7: moeilijke woorden
Zogenaamd houdt in dat een term ten onrechte wordt gebruikt. In weerpraatjes hebben we dit woord dan ook niet nodig; meestal is zogenoemd of zogeheten meer op zijn plaats.
Zorgen voor wordt vaak onjuist gebruikt in de betekenis van leiden tot, met zich meebrengen, veroorzaken. Bijvoorbeeld: Een noordelijke stroming zorgt voor een aanvoer van koude lucht in plaats van Een noordelijke stroming voert koude lucht aan. Een juist gebruik van zorgen voor beperkt zich tot gevallen als: De vader zorgt voor het kind.
Ook moeilijk zijn omdat en doordat. Omdat geeft een reden aan waarom iets zo is; doordat slaat op een oorzaak. In weerpraatjes gaat het meestal om een oorzaak, dus vrijwel altijd moet daar doordat worden gebruikt. Bijvoorbeeld: Dit komt doordat ...
Van belang is wel dat de eigenlijke oorzaak wordt besproken; voorbeelden van zinnen waarin dat niet gebeurt staan in blok 8.
|
Blok 8: oneigenlijke oorzaken en andere niet-aanbevolen zinnen.
8. Enkelvoud of meervoud
Aan het gebruik van enkelvoud of meervoud na een aantal zijn al veel worden vuilgemaakt. Bijvoorbeeld: is het: een aantal ... heeft of een aantal ... hebben. ( Van Wee 1992). Valt de nadruk op aantal, dan altijd het enkelvoud gebruiken, wat blijkt uit voorbeelden als: een groot aantal buien heeft .... Verder zijn zinnen met zowel... als en niet alleen..., maar ook soms lastig, doordat dan het enkelvoud gebruikt moet worden.
|
Blok 9: enkelvoud of meervoud?
9. Mannelijk of vrouwelijk?
Om naar woorden te kunnen verwijzen moet je soms weten of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Sommige de-woorden zijn mannelijk (hij-woord), andere vrouwelijk (zij-woord), terwijl er ook woorden zijn die soms vrouwelijk (meer naar het zuiden) en soms mannelijk (meer naar het noorden van het Nederlandsetaalgebied). Woorden op -tuur, -ie, en -ing, zoals temperatuur, depressie, storing en dampkring, zijn altijd vrouwelijk. Het woordgeslacht van samenstellingen wordt bepaald door het laatste lid.
Het geslacht van woorden vind je in een woordenboek en in het zogeheten Groene Boekje; blok 10 bevat een aantal voorbeelden met 'weerpraatjeswoorden'..
|
mannelijk
|
vrouwelijk
|
Blok 10: mannelijke en vrouwelijke woorden uit weerpraatjes.
Naar een en hetzelfde 'weersysteem' moet verschillend verwezen worden, al naar gelang de term depressie/hogedrukzone of lagedrukgebied/hogedrukgebied gebruikt is; blok 11 bevat een aantal voorbeelden (zin 5 tot en met 8). Helemaal ingewikkeld wordt het als een tropisch cycloon (mannelijk, maar om en om aangeduid met een meisjesnaam) overgaat in een gewone oceaandepressie (vrouwelijk).
|
Blok 11: verwijzingen naar mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden.
10. Tegenwoordige of toekomende tijd?
Het KNMI heeft wel eens een brief ontvangen van een mevrouw die vond dat alle verwachtingen in de toekomende tijd gesteld moesten worden; alles wat wordt beschreven moet zich immers nog voltrekken? Mijns inziens is het gebruik van de toekomende tijd lelijk en onnodig. Woorden en zegswijzen als morgen, dinsdag, na vandaag en dergelijke geven in combinatie met een tegenwoordige tijd duidelijk genoeg aan wanneer onze verwachtingen werkelijkheid zullen worden. Er schijnen zelfs talen te bestaan waar men, dankzij dit soort woorden, geen toekomende tijd kent!
11. Afko's
Met het gebruik van afkortingen is niemand gediend; schrijf wat voluit kan voluit: bijvoorbeeld, circa (als je dat woord tenminste wilt gebruiken), respectievelijk, ...
Als afkortingen beschouw ik ook het gebruik van hoog en laag voor hogedrukgebied en lagedrukgebied. Ik vind dat of lelijk, of een barbarisme of mogelijk zelfs onnodig gebruik van vakjargon.
12. Aardrijkskundige namen
Sommige weerpraatjes worden voor een groot deel gevuld met geografische aanduidingen. Hoewel ik daarvan geen voorstander ben, is het wel belangrijk de aardrijkskundige namen die nog wel worden gebruikt, zo mogelijk volgens daarvoor geldende regels te spellen. Er doen zich vier problemen tegelijk voor: de spelling en het gebruik van hoofdletters, spaties en koppeltekens.
Om met de deur in huis te vallen: aardrijkskundige namen schrijf je met een hoofdletter (Nederland, Noordzee, de Alpen). Samengestelde namen spel je zelfs met twee hoofdletters; bovendien bevatten ze vaak een koppelteken (Noord-Holland, Zeeuws-Vlaanderen, Groot-Brittannië, Nieuw-Beerta; een uitzondering vormt het Zeeuws-Vlaamse Westdorpe). Maakt een lidwoord deel uit van de aardrijkskundige naam, dan krijg je eveneens twee hoofdletters (De Bilt, Den Helder, De Kooy, Het Kanaal, Den Haag, maar bijvoorbeeld de Alpen, de Pyreneeën, de Rijn, de Maas). De van landennamen afgeleide bijvoeglijke naamwoorden beginnen eveneens met een hoofdletter; in de spelling 1996 vind je er bovendien het koppelteken en de tweede hoofdletter in terug: Noord-Hollandse. In het vervolg van dit artikel wordt deze spellingswijze gebruikt.
Delen van landen worden vaak aangeduid met een combinatie van een windstreek en de landsnaam. Volgens het Stijlboek van de Volkskrant heeft het voorvoegsel een kleine letter, de landsnaam behoudt zijn hoofdletter (zuidoost-Engeland, midden-Frankrijk). Het is dus west-Friesland, met Makkum en Workum, en West-Friesland, met Medemblik en Enkhuizen. Aanhangers van van Dale kunnen het hier geschetste onderscheid niet maken; zij moeten teruggrijpen op andere omschrijvingen om de verschillen tussen de regio's duidelijk te maken.
De regelgeving bij eilanden is ingewikkeld. De Britse Eilanden en de Canarische Eilanden worden net als landennamen geschreven met twee hoofdletters, maar nu zonder koppelteken. Bij Waddeneilanden worden de samenstellende delen aan elkaar geschreven. Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden is weer los van elkaar, zonder koppelteken en zonder hoofdletter voor eilanden. Faerøer is zonder eilanden, want het Deense woord øer betekent al eilanden.
Iets vergelijkbaars vind je bij staten: Verenigde Staten en Baltische staten.
Noordzee, Waddenzee en Oostzee worden alle aan elkaar geschreven; bevat de naam van de zee of oceaan een bijvoeglijk naamwoord, dan zijn het twee woorden, elk met een hoofdletter: Middellandse Zee, Adriatische Zee, Ierse Zee, Keltische Zee, Atlantische Oceaan. Het ...gebied schrijven we ook met een hoofdletter: het Waddengebied, het Noordzeegebied, het Oostzeegebied, het Middellandse-Zeegebied.
Als er voor een land, gebied of zee een algemeen ingeburgerde Nederlandse naam beschikbaar is, dan gebruiken we die ook. Dus bijvoorbeeld Engeland, Duitsland, Noorwegen en Friesland en niet England, Deutschland, Norge of Fryslân.
Tot slot van deze opsomming van geografische valkuilen: Het Drentse Eelde ligt in Drenthe; de vliegbasis Twenthe bevindt zich in Twente.
|
met koppelteken |
zonder koppelteken | twee hoofdletters | een hoofdletter | zonder trema | met trema |
|
Noord-Holland, Noord-Hollandse
|
Zeeuwse eilanden
|
De Bilt
|
de Alpen
|
buiig
|
België
|
|
|
|
|||
13. De puntjes op de i
In het voorgaande heb ik proberen aan te tonen dat het ook bij het schrijven van weerpraatjes gewenst is de puntjes op de i te zetten. Je kunt dit ook letterlijk opvatten; overdrijving leidt dan echter tot fouten. Zo zijn er voorbeelden van teksten waarin zelfs twee puntjes op de i worden gezet, een zogeheten deelteken of trema. Dat is lang niet altijd nodig; ze worden alleen gebruikt als ze helpen bij het vinden van de goede uitspraak van een woord. Geen trema krijgen bijvoorbeeld woorden als buiig, heiig en een draaiing van de wind, omdat in deze gevallen een onjuiste uitspraak niet mogelijk is; de tweeklank ii bestaat namelijk niet in het Nederlands.
Puntjes zet je niet alleen op de i. Veel landennamen bevatten een trema op de e: bijvoorbeeld België, Italië, en het voormalig Joegoslavië. In de spelling 1995 is het gebruik van een trema om het begin van een nieuwe lettergreep aan te geven overigens drastisch beperkt; in samenstellingen met getallen heeft het trema zich weten te handhaven.
Literatuur:
Van Gessel, H. e.a. (1992): de Volkskrant Stijlboek, Sdu.
Klaveren, W. van (1993): Liever Kok dan Hirsch Ballin, Taalgebruik op teletekst, Onze Taal 62 (4), 16-17.
N.N. (1995): Woordenlijst van de Nederlandse Taal, ('Groene Boekje'), Sdu / Standaard.
N.N. (1995): De nieuwe Spellinggids van de Nederlandse taal, Het Spectrum / van Dale Lexicografie.
Renkema, J. (1995): Schrijfwijzer, Sdu.
Spier, J.M. (1991) Wat is 'normaal'? Onze Taal 60 (7/8), 19.
Wee, K. van (1992) Een aantal is/zijn, Onze Taal 61 (7/8), 20.