Hoeveel verschillende regenbogen zijn er eigenlijk? Ik kom op acht. Zelf heb ik er drie gezien; voor de overige moet ik het hebben van foto's van anderen. Op enkele daarvan zag ik eerder al mijn zevende regenboog. Wie helpt me aan nummer acht?
Veel mensen kennen slechts één regenboog: de hoofdboog. Je ziet
hem met de zon in de rug als je uitkijkt op door de zon beschenen regendruppels
of andere vrij vallende waterdruppels. De boog ziet er als volgt uit: aan de
buitenzijde is hij rood, aan de binnenzijde violet; de kleurenvolgorde daartussenin
is als bij de kleuren van het spectrum. De lichtsterkte van de boog is gewoonlijk
het grootst aan de voet. De begrenzing is aan de rode kant scherper dan aan
de violette kant.
Twee regenbogen zijn zelden precies gelijk. Verschillen kunnen optreden in de
straal van de rode buitenrand van de boog, de breedte van de boog en de mate
waarin de verschillende kleuren vertegenwoordigd zijn. Ook kan tijdens een bui
het aanzien van de boog die we waarnemen, veranderen. Dat suggereert het bestaan
van een groot aantal verschillende bogen.
Voor het zien van een regenboog is bovendien de positie van de waarnemer ten
opzichte van de zon en de regen cruciaal. Elke waarnemer ziet zijn eigen regenboog
op dezelfde manier als iedereen zijn eigen schaduw ziet. Je zou dus zelfs kunnen
zeggen dat het aantal regenbogen niet slechts één is, of een X-aantal,
maar oneindig. Zelf ga ik er liever ergens tussenin zitten en houd ik het aantal
op acht (zie tabel). Dat lijkt niet zo veel, maar is toch aanzienlijk meer dan
de twee die je bij een strikte definitie krijgt of de drie die ik tot nog toe
heb gezien. Nummer één, de hoofdregenboog, heb ik al geïntroduceerd;
wat zijn die overige zeven?
![]() |
![]() |
|
|
1b Regenboog boven het Ontariomeer, 23 juni 2008. Vlak bij de horizon krult zijn weerkaatsing naar binnen. Foto: Gary Lynch, Burlington, Canada (43°19' NB, 79° 48'WL). Bron: Weather Underground. (artikel) |
|
Stralengang
Wie vaker naar regenbogen kijkt, ontwaart buiten de hoofdboog (afgebeeld in
alle figuren) geregeld een lichtzwakkere tweede boog (figuren 2, 3 en 5). Beide
bogen hebben het tegenpunt van de zon als middelpunt, maar de straal van de
bijboog is 51 , tegen die van de hoofdboog 42 . De bijregenboog of nevenregenboog
heeft een rode binnenrand, het violet zit buiten en de kleurenvolgorde is dus
tegengesteld aan die van de hoofdboog. De stralengang van het licht dat de bogen
vormt, wordt op talrijke plekken beschreven en geïllustreerd (zie o.a.
Minnaert1968, Können 1980, Lynch en Livingston 2006 en Floor 1977) en is
voor beide gevallen gelijk: zonlicht valt in op (bolvormige) regendruppels,
weerkaatst aan de binnenzijde van de druppel en treedt vervolgens weer uit,
richting waarnemer. De hoofdregenboog wordt gevormd door licht dat één
inwendige terugkaatsing heeft ondervonden en al met al een richtingverandering
heeft ondergaan van 138 . We zien deze boog daardoor op 138 van de zon, ofwel
180-138=42 van het als middelpunt van de regenboog fungerende tegenpunt van
de zon. De deviatie is het kleinst voor rood licht; dat bevindt zich daardoor
het dichtst bij de zon, dus tegelijkertijd het verst van het tegenpunt van de
zon en daarmee aan de buitenrand.
Bij de bijregenboog bedraagt het aantal inwendige terugkaatsingen niet één,
maar twee; de resulterende deviatie is 231 . Opnieuw is het rood het dichtst
bij de zon te zien, namelijk op 231 van de zon of op 231-180=51 van het tegenpunt
van de zon. De overige kleuren hebben een grotere afstand tot de zon en - in
het geval van de bijregenboog - dus ook van het tegenpunt van de zon. Vandaar
dat bij de nevenboog de bínnenrand rood is en niet de buitenrand, zoals
bij de hoofdboog.
Een derde regenboog?
De stralengang van het licht bij het ontstaan van regenboog nummer 2, de bijregenboog,
verschilt slechts in één opzicht van die van de hoofdregenboog,
namelijk het aantal inwendige terugkaatsingen. Vandaar dat we een derde regenboog
zouden kunnen gaan zoeken door uit te gaan van drie inwendige terugkaatsingen.
Een op die manier gevormde regenboog is echter nooit aan de hemel waargenomen.
Met de brekingswetten is wel de plaats te berekenen waar naar de boog gezocht
moet worden. De optredende minimumdeviatie bedraagt circa 318°, zodat de
derde boog als een kring om de zon met een straal van 42° zou moeten verschijnen.
Door de derde terugkaatsing is het licht echter nog zwakker dan dat van de lang
niet altijd waarneembare bijregenboog. Doordat die eventuele derde boog aan
dezelfde kant van de hemel moet staan als de zon, zal het lichtzwakke verschijnsel
gewoonlijk een heldere achtergrond hebben, wat het waarnemen erg moeilijk, zo
niet onmogelijk maakt. Desondanks zou men onder bijzonder gunstige omstandigheden
(bijvoorbeeld door de hand voor de zon te houden en met een toevallig aanwezige
donkere wolkenlucht als achtergrond) in zeldzame gevallen valselijk op het zichtbaar
worden van de derde boog kunnen hopen. Dat dit echter zeer onwaarschijnlijk
is, blijkt, behalve uit het feit dat de boog nooit werd waargenomen, uit berekeningen
met fresnelcoëfficiënten. Daaruit kan worden afgeleid dat bij de hoofdboog
de lichtsterkte van het weerkaatste licht minder is dan die van het licht dat
de boog vormt. Bij de bijregenboog vinden we voor de lichtsterkten dezelfde
orde van grootte maar een derde, in de praktijk dus niet zichtbare boog wordt
volledig overstraald door het weerkaatste licht.
De verzwakking van het licht, waarvan bij een, twee, respectievelijk drie inwendige
terugkaatsingen in toenemende mate sprake is, speelt een ondergeschikte rol
bij zonlicht dat zonder inwendige terugkaatsingen de druppel weer verlaat. Ook
hier zouden we een derde, kleurrijke regenboog kunnen verwachten, omdat het
licht, evenals bij de hoofd- en de bijregenboog, tweemaal gebroken is en bij
breking steeds kleurschifting optreedt. Desondanks vormt zich op deze manier
geen regenboog. In dit geval varieert de deviatie tussen 0° en 84°,
waarbij de lichtsterkte afneemt bij toenemende deviatie. Door overlap van de
kleuren is het licht wit, op een violette rand na, die echter veel te lichtzwak
is om te worden waargenomen.
Starre eisen
In het voorgaande stelden we aan verschijnselen die kunnen doorgaan voor regenboog,
impliciet de volgende eisen:
- het zonlicht moet direct invallen op regendruppels of eventueel andere vrij
vallende waterdruppels, bijvoorbeeld van fonteinen, beregeningsinstallaties
(Floor, 2008 en 2010) of watervallen.
- het licht dat de regenboog vormt, moet twee keer gebroken zijn en een of meer
keer in de druppel inwendig zijn teruggekaatst.
- het licht moet vervolgens rechtstreeks de waarnemer bereiken.
Op die manier komen we echter niet verder dan twee regenboogvarianten: de hoofdboog
en de bijboog. Veel natuurliefhebbers en -fotografen die hun werk op internet
publiceren, hebben aan deze criteria echter geen boodschap en kiezen, mogelijk
uit onwetendheid, voor een soepeler ballotage. Voor hen is vooral de kleurenrijkdom
en de boogvorm van belang (Floor 2006). De glorie, een verzameling van gekleurde
ringen rond de schaduw van een waarnemer op bewolking, wordt op internet al
een aantal malen aangeduid als regenboog. Veel vaker is dat nog het geval met
haloverschijnselen als de kleurrijke circumzenitale boog en zelfs de minder
kleurrijke maar meer gangbare kleine kring of kring van 22 . Voor al deze lichteffecten
geldt dat ze zich aan de hemel voordoen, een boog- of cirkelvorm bezitten en
kleurrijk zijn of op z'n minst iets van kleur vertonen. Regenen doet het echter
niet, er zijn geen vrij vallende waterdruppels bij betrokken - bij halo's treden
de lichteffecten zelfs op aan ijskristallen - en de stralengang wijkt af van
wat we sinds René Descartes (1596-1650) bij regenbogen verwachten. Laatstgenoemd
argument geldt overigens niet voor verschijnselen als mistbogen, wolkenbogen
en dauwbogen, die we hier ook geen plaats gunnen in de rij van acht verschillende,
erkende regenbogen (zie tabel): er zijn namelijk geen vrij vallende regendruppels
bij betrokken.
![]() |
![]() |
![]() |
|
|
|
|
6. Schema van regenbogen bij een glad wateroppervlak.
Het middelpunt van de regenboog R (Tabel, nummer 1) is het tegenpunt T van
de zon; de zonshoogte is . De regenboog R wordt weerspiegeld in water. Het
middelpunt T´ van deze weerspiegelde boog WR (nummer 3) heeft dezelfde
hoogte als de zon. Regenboog R en zijn weerspiegeling in het rimpelloos
wateroppervlak WR sluiten naadloos op elkaar aan. T´ is ook het middelpunt van de regenboog bij weerspiegelde zon WZ (nummer 5); deze snijdt de gewone regenboog R op de horizon. De afstand tussen de hoofdregenboog R en de regenboog bij weerspiegelde zon WZ bedraagt 2 . Overigens wordt het bovenste deel van de regenboog bij weerspiegelde zon WZ vrijwel nooit waargenomen. Bron: Minnaert [1]. |
Weerspiegelde regenbogen
Als we aan onze eigen eisen vasthouden, is op bovenbeschreven 'lekenmanier'
het aantal mogelijke regenbogen niet uit te breiden. Om meer regenboogvarianten
te kunnen krijgen zullen we in ieder geval onze criteria wel moeten verruimen.
Daarbij is de volgende concessie vrij algemeen gangbaar: we staan toe dat het
licht dat de regenboog vormt, een extra reflectie ondergaat aan een wateroppervlak
in de vrije natuur. De reflectie mag zowel vóór de interactie
van het zonlicht met de regendruppel optreden als erna. Hoewel dit in de praktijk
niet zo vaak zal voorkomen, vergroot het in incidentele gevallen toch de mogelijkheden
om meer dan twee regenbogen te zien. Zo kan dan bijvoorbeeld de weerspiegeling
van een hoofdregenboog in een wateroppervlak gelden als derde regenboog (figuren
1, 2 en 5); de weerspiegeling van de bijboog wordt regenboog nummer 4 (figuur
5).
De regenbogen die we weerspiegeld zien, zijn overigens niet dezelfde als de
gewone hoofd- en bijboog. De waarneempositie van de weerspiegelde bogen ligt
namelijk niet bij de eigenlijke waarnemer, maar bij een denkbeeldige collega
op een positie die even ver onder het spiegelend oppervlak ligt als de waarnemer
er zelf boven staat. De regendruppels die betrokken zijn bij de vorming van
de weerspiegelde bogen, zijn dan ook andere dan de druppels die de gewone bogen
vormen. Het is zelfs mogelijk dat de weerspiegelde boog wél optreedt
en de gewone boog niet. We zien als het verschijnsel volledig ontwikkeld is,
dus echt vier verschillende bogen!
Boven rimpelloos water sluiten de bogen en hun spiegelbeeld naadloos op elkaar
aan (zie het diagram van figuur 6). Als er golven op het wateroppervlak zijn,
krult de gespiegelde boog naar binnen, zoals is te zien op figuur 1 (Können
en Floor 2011).
Regenbogen bij gespiegelde zon
Bij weerspiegelde regenbogen, de nummers 3 en 4, vindt de reflectie aan het
wateroppervlak plaats na de interactie tussen zonlicht en regen. Het is ook
mogelijk dat die reflectie eerder plaatsvindt. Het spiegelbeeld van de zon treedt
dan op als lichtbron voor zo te vormen hoofd- en bijregenbogen bij gespiegelde
zon, de nummers 5 en 6. De gespiegelde zon staat even ver onder de horizon als
de eigenlijke zon erboven staat. Het tegenpunt van de gespiegelde zon, dat fungeert
als middelpunt van de bogen bij gespiegelde zon, bevindt zich even ver boven
de horizon als de zon zelf, maar zit precies aan de tegenovergestelde zijde
van de hemelkoepel (zie het diagram van figuur 6). De bogen ontmoeten elkaar
aan de horizon.
Als de zon aan de horizon staat, vallen de spiegelbogen samen met de gewone
regenbogen. Naarmate de zon hoger aan de hemel komt te staan, zakt de gewone
regenboog en komt de regenboog bij weerspiegelde zon omhoog. Gewoonlijk ontbreekt
het bovenste gedeelte, zodat men slechts een of twee stukken van de boog ziet
oprijzen vanaf het punt waar de gewone regenboog en de horizon elkaar snijden.
De beide bogen bij weerspiegelde zon kunnen op hun beurt weerspiegeld worden
in een wateroppervlak. Op die manier ontstaan de weerspiegelde regenboog bij
gespiegelde zon en de weerspiegelde bijregenboog bij gespiegelde zon. Eerstgenoemde
is afgebeeld in de figuren 4 en 5. Van de weerspiegelde bijregenboog bij gespiegelde
zon heb ik helaas geen afbeelding of vermelding kunnen vinden. Wie helpt me
aan een foto?
|
TABEL: Acht regenbogen
Literatuur
Floor, C., 1977: Regenbogen,
Natuur en Techniek 45 (12) 814-833.
--- 1977: Lichtverschijnselen aan de hemel - Halo's, Natuur en Techniek
46 (6), 364-383.
--- 2006: Een derde regenboog? , Zenit 33 (10) 467-471.
--- 2008: Beregenbogen, Zenit
35 (5) 248-249.
--- 2010: Beregenbogen
en spuitbogen, Het Weer Magazine 11 (2), 22-23.
Können, G.P., 1980: Gepolariseerd licht in de natuur, Thieme, Zutphen.
Können, G.P. en Floor, C., 2011: Een
regenboogreflectie die naar binnen krult, Zenit 38 (4) 172-177.
Lynch, D.K., en Livingston, W., 2006: Licht en kleur in de natuur, de Wetenschappelijke
Bibliotheek van Natuurwetenschap en Techniek 84,Veen Magazines, Diemen.
Minnaert, M., 1968: De
natuurkunde van 't vrije veld I: Licht en kleur in het Landschap, Thieme,
Zutphen.
Genoemde en andere artikelen van de auteur over regenbogen en halo's zijn ook elders op deze website te vinden.
Leuk artikel. Maar....sinds juni verouderd! Zie de posts van 1 juni (Grossman)
en 12 juni (Michael Theusner) op Claudia Hinz' weblog (http://blog.meteoros.de/
). Fotos van de 3e en 4e regenboog, na beeldversterking. Philip Laven
heeft in 2010 aan Elmar Schmidt gevraagd of hij die Duitsers niet kon stimuleren
fotos te maken in de richting van die regenbogen, en na beeldversterking
kwamen ze zowaar te voorschijn. Laven en Lee hebben er een artikel over geschreven
dat in het Special Issue on Light and Color van AO moet verschijnen.
Klaarblijkelijk kan de 3e regenboog inderdaad met het blote oog gezien worden,
als je erg je best doet. Bij de 4e lijkt dat niet het geval, maar via beeldverwerking
zie je hem toch.
IJzersterk dat het duo zo op de 1e en 2e boog lijkt, maar toch anders is.
Günther Können