In de winter van 1921 brak er op de Soviet-marinebasis Kronstadt een opstand uit tegen het communistische gezag. Kronstadt ligt op het eiland Kotlin in de Finse Golf, ongeveer 30 km ten westen van het toenmalige Petrograd. De 15000 opstandige matrozen van Kronstadt werden in hun verzet gesteund door 10000 soldaten van het garnizoen op het eiland en door grote delen van de plaatselijke bevolking. Doordat de winter van 1921 zacht was en de dooi vroeg dreigde in te vallen, moest het Soviet-leger haast maken de opstand te onderdrukken; als na de winter het ijs van de Finse Golf is verdwenen, is Kotlin namelijk een onneembare vesting. Op 18 maart, van dat jaar werd de opstand onderdrukt. Veel opstandelingen vonden de dood, maar het ijs van de Finse Golf was nog net stevig genoeg om ongeveer 8000 man een uitwijkmogelijkheid te bieden naar de op bijna 25 km afstand gelegen Finse kust.
Na de Russische Revolutie
De opstand in Kronstadt was een van de markantste gebeurtenissen die volgden
op de Russische Revolutie van 1917. Die jaren werden gekenmerkt door burgeroorlog,
buitenlandse inmenging en blokkades. Het ineenstorten van het tsaristische regime,
de revoluties van maart en november, de terugval in agrarische produktie door
onteigening en belastingheffingen en de burgeroorlog brachten het land op de
rand van hongersnood. De situatie werd nog verergerd door tekorten aan brandstof,
warme kleding en schoeisel, zodat er een optimale voedingsbodem was voor onvrede.
De opstandelingen van Kronstadt waren aanvankelijk geen tegenstanders van een
omwenteling; velen van hen waren ook gewoon lid van de communistische partij.
In 1917 hadden ze nog zo'n belangrijke bijdrage geleverd aan de gebeurtenissen
dat Leo Trotski, Lenin's voornaamste medewerker en grondlegger van het Rode
Leger, hen toen bestempelde tot 'de trots en roem van de Oktoberrrevolutie';
diezelfde Trotski organiseerde in maart 1921 de militaire operatie die tot doel
had de opstand in Kronstadt te onderdrukken.
De eisen die de opstandelingen formuleerden aan het adres van het communistische
gezag, waren voor een belangrijk deel dezelfde als die van de bolsjewieken voor
die aan de macht kwamen: vrijheid van meningsuiting, vrijlating van alle arbeiders,
matrozen en soldaten die door de Tsjeka, de geheime dienst, werden vastgehouden,
vrije verkiezingen, afschaffing van de privileges van de communistische partij
en betere omstandigheden voor de boeren.
Kotlin bij dooi onbereikbaar voor landmacht.
Op 1 maart 1921 probeerde Kalinin namens de Communistische autoriteiten door
onderhandeling en overreding een eind te maken aan de opstand. Toen dat mislukte,
begon men voorbereidingen te treffen voor een militaire aanval.
Trotski wist dat hij voor de dooi inviel een eind moest maken aan de opstand,
zo melden verschillende van zijn biografen. Kronstadt was alleen dan nog bereikbaar
voor gronddtroepen. Na het smelten van het ijs werd het vrijwel onneembaar,
konden er schepen met opstandelingen ontkomen en behoorde bovendien steun uit
het buitenland, waar de eerste geldinzamelingen om de opstandelingen te steunen
reeds waren begonnen, tot de mogelijkheden. Gevreesd werd dat de dooi wel eens
vroeg zou kunnen invallen, vandaar dat er haast werd gemaakt. Een te lang voortduren
van de rebellie zou ook het moreel van de troepen aantasten en andere ontevredenen
ertoe kunnen brengen eveneens in opstand te komen tegen het communistische gezag.
De eerste pogingen om schepen en fortificaties van Kronstadt te veroveren vonden
plaats tussen 7 en 16 maart en liepen uit op een mislukking. Talrijke aanvallers
verdronken in de gaten die door granaten van de verdedigers van Kronstadt in
het ijs waren geslagen. Op 16 maart had men echter een legermacht van 45-50000
man op de been gebracht, die er 18 maart in slaagde het hele eiland Kotlin met
verdedigingswerken en schepen te veroveren. De opstandelingen werden bij duizenden
doodgeschoten, wat veel verontwaardiging wekte in binnen- en buitenland bij
vriend en vijand; ongeveer 8000 man konden echter over het ijs ontkomen naar
Finland.
Vroege lente
De angst voor een vroeg invallende dooi was bepaald niet ongegrond, zo constateert
de Israelische meteoroloog Neumann achteraf. Tijdens een verblijf aan de universiteit
van Helsinki in Finland onderzocht hij de meteorologische aspekten van de militaire
operatie. Daarbij bleek de winter van 1921 relatief zacht. Gewoonlijk verdwijnt
de ijsvloer op het oostelijk deel van de Finse Golf pas in de loop van april
of mei, maar in 1921 brokkelde het ijs al af in maart. Tijdens de beslissende
slag op 17 en 18 maart stond er water op het ijs, wat erop duidt dat de dooi
reeds was ingetreden. Waarnemingen uit de omgeving duiden erop dat de temperatuur
al vanaf 11 maart uitkwam op nul graden of daarboven. Vanaf 21 maart liep het
kwik zelfs op tot 8 à 10 graden.
Een andere aanwijzing voor een zachte winter was de geringe ijsbedekking van
de Oostzee; slechts ongeveer een derde deel was dichtgevroren. Tijdens de winter
van 1917, voorafgaand aan de Russische revolutie, was de Oostzee geheel dichtgevroren.
De gemiddelde temperatuur over de maanden november tot en met maart bedroeg
toen ongeveer min 8 graden, dat is vier graden lager dan in 1921. In 1921 ging
de haven van Riga na de winter weer open op 19 maart; in 1917 bleef die haven
dicht tot 10 april. Het ijs van de Neva in Petrograd brak in 1921 tussen 25
maart en 1 april, wat extreem vroeg in het jaar is. Uitstel van de opmars naar
Kronstadt zou dus vrijwel zeker tot afstel hebben geleid.
![]() |
![]() |
|
IJs in Oostzeegebied, composietbeeld op basis van NOAA-opnamen,
begin februari 1997. De werkwijze die het KNMI gewoonlijk gebruikt voor ijsdetectie in het IJsselmeer blijkt voor de Oostzee Zee met Botnische Golf en Finse Golf niet goed te werken. Deze methode is gebaseerd op het verschil kanaal 4 en 5. Voor ijs is dit verschil duidelijk groter dan voor open water. Zoet/zout-verschillen en vooral cirrus bewolking hebben echter ook grote invloed op het verschil kanaal 4 en 5. Voor een klein zoetwatergebied als het IJsselmeer levert dit geen problemen op. Voor een groot gebied als de Oostzee met een grote zoet/zout-gradiënt kennelijk wel, want in de verschillende opnamen uit de periode eind januari begin februari 1997 is weinig lijn te ontdekken. Uiteindelijk is een composietbeeld van alle redelijk onbewolkte SST-beelden (SST staat voor sea surface temperature oftewel zeewatertemperatuur) van de genoemde periode gemaakt (voor ieder pixel in het composietbeeld is de maximum voorkomende waarde genomen). Dit levert een schoon beeld op zonder verstorende invloeden van wolken; wolken zijn namelijk koud en worden met deze composiettechniek niet in het uiteindelijke beeld opgenomen. Voor de interpretatie van dit beeld voor wat betreft het voorkomen van ijs de volgende opmerkingen: Van de donkerblauwe gebieden (temp. < -2 C) mag aangenomen worden dat er ijs ligt (zout water bevriest beneden de -2 C). Tussen -2 en 0 C zou ook ijs kunnen voorkomen gezien het geringe zoutgehalte van de Oostzee in het algemeen en in de Finse Golf, waar de rivier de Neva zoet water inbrengt, in het bijzonder. Bij een temperatuur boven nul is er uiteraard geen ijs. De SST's zijn atmosferisch gecorrigeerd. De nauwkeurigheid van de SST's is ongeveer een 0.5 C. Met dank aan Hans Roozekrans, KNMI. |
Literatuur:
Neuman, J., (1992), Ice-bound sea as a crucial factor for a military operation at Kronstadt, Contr. to atmosph. phys. 65, (4), p.275-280.
| Kader Het weer heeft in het verleden geregeld een stempel gedrukt op het verloop van de geschiedenis. Soms gaat het om ontdekkingsreizen, bijvoorbeeld de ontdekking van Amerika door Christoforus Columbus in 1492 (Cerveny and Hobgood 1992a, 1992b), maar meestal zijn het oorlogen. Zo besprak Ton Donker (1995) in een eerder nummer van Meteorologica de weersomstandigheden voor en tijdens de invasie in Normandië tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de engelstalige literatuur komen we bij artikelen over meteorologie en oorlog voeren geregeld de naam van de Israëlische meteoroloog Neumann tegen. Veelal gaat het om gevechtshandelingen in het Oostzeegebied. Voor ons meer bekende Europese geschiedenis is bijvoorbeeld de aanzet tot de Franse revolutie van 1789 (Neumann 1977) en de Duitse inval in Rusland in 1941 (Neumann en Flohn 1987). Een voorbeeld uit de vaderlandse geschiedenis is de overtocht naar Engeland van stadhouder-koning Willem III in 1688; het wachten was toen op een gunstige windrichting om de oversteek te kunnen maken, na een eerdere mislukte poging waarbij de wind onverwacht was gedraaid (Lindgrén en Neumann 1985). Nog dichter bij huis speelden zich de drama's af van het Rampjaar 1672, toen Franse troepen over een bevroren Hollandse Waterlinie konden oprukken tot dicht bij Amsterdam. Dankzij een net op tijd intredende dooiperiode bleef de stad gespaard en moesten de Fransen onverrichterzake afdruipen (Lindgrén and Neumann, 1983). Van diverse van bovenstaande geschiedkundige verhalen maakte ik Nederlandstalige bewerkingen (Floor 1985, 1988a, 1988b, 1992a, 1992b, 1997a, 1997b); een voorbeeld daarvan is het bijgaande artikel. Cerveny, R.S.
and J.S. Hobgood, (1992a), Meteorological implications of the first voyage of
Christopher Columbus, BAMS 73 (2), p. 173-179. |