Warme
oktober zegt niets over koude winter

Door Kees Floor;
,
9 november 2005.
DE BILT/MEPPEL - Het Milieu en Natuur Planbureau (MNP) uit Bilthoven stelde deze week in een rapport dat de effecten van klimaatverandering aan het toenemen zijn. Vrijwel tegelijkertijd meldde het KNMI in De Bilt dat het najaar van 2005 tot nog toe ongebruikelijk zacht en zonnig is verlopen. Bewijst het uitzonderlijke weer het gelijk van het MNP-rapport? Bijkomende vraag: is zo'n warme oktober een aanloop naar een strenge winter?
Nog even de feiten op een rijtje. Afgelopen oktober was volgens het KNMI bijna de zachtste van de laatste driehonderd jaar. Gemiddeld over de hele maand was het in De Bilt 13,3 graden. Vrijwel elke dag lag de temperatuur boven normaal en zeven keer werd het er warmer dan twintig graden. 'Vooral de lange reeks warme dagen aan het eind van de maand was uniek', zegt Rob Sluiter van de Klimatologische Dienst van het nationale weerinstituut. 'De temperatuur lag soms maar liefst acht graden boven normaal; dat is nogal wat!' Ook weerman Jan Visser, onder andere van Radio 10 Gold, is onder de indruk. Hij heeft het over buitensporig warm. 'Normaal daalt het kwik naarmate de maand verder vordert, maar dit jaar is de temperatuur in oktober alleen maar opgelopen', aldus Visser.
Heel Nederland
Het warme weer bleef niet beperkt tot De Bilt. 'Dat station noemen we vaak omdat
we daarvan over ruim driehonderd jaar gegevens beschikken', verexcuseert Sluiter
zich. 'Op de waarneemstations van het KNMI in Hoogeveen en Eelde liep het kwik
in oktober eveneens zeven keer op tot 20 graden of meer. Allen in 2001 was de
oktobermaand met gemiddeld 14,2 graden nog weer zachter,' weet Sluiter, 'maar
toen was vooral het begin van de maand warm. Oktober 2005 was niet alleen zacht,
maar ook zonnig', vult hij nog aan. 'Meer dan 170 uur zon, ook in Drenthe en
Overijssel, tegen gemiddeld iets meer dan honderd uur in een normale oktobermaand'.
Het rapport van het Milieu en Natuur Planbureau (MNP) dat eerder deze week uitkwam,
zegt niets over de hoeveelheid zon, maar des te meer over de temperatuur. Het
MNP is een afsplitsing van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
(RIVM) in Bilthoven en komt volgend jaar geheel op eigen benen te staan. In
het kersverse rapport, dat werd aangeboden aan staatssecretaris Van Geel (Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), is te vinden dat de temperatuur in Nederland
aan het oplopen is. Tegelijkertijd neemt het aantal uitzonderlijk warme dagen
geleidelijk toe, terwijl koude periodes zeldzamer worden. De temperatuurstijging
is bij ons zelfs markanter dan de trend die wereldwijd wordt waargenomen. Daarnaast
klinkt in het rapport de verwachting door dat de opwarming verder doorgaat,
ook al blijven grote verschillen mogelijk tussen afzonderlijke jaren.
Geen bewijs
'Toont het weersverloop in oktober aan dat het MNP-rapport het bij het rechte
eind heeft?', vragen we aan Rob van Dorland. 'Nee', zegt de klimaatonderzoeker
van het KNMI, die zelf een deel van de informatie voor het rapport aanleverde.
'Dit is gewoon een gril van de natuur. Je kunt nooit een enkele warme periode
toeschrijven aan het versterkte broeikaseffect. Je zou kunnen zeggen: "Raar
weer is ook gewoon". Wat wel kan: aangeven dat de kans op warm weer in
de toekomst toeneemt, ook in oktober. De oktoberwarmte past dus wel precies
in het beeld dat we hebben van een opwarmend klimaat'.
Duidt zo'n warme oktobermaand dan wél op de nadering van een koude winter?
'Dat is een van die fabels die niet uit te roeien zijn', reageert Geert Jan
van Oldenborg desgevraagd. Van Dorland's collega bij het KNMI doelt kennelijk
op de vele onbetrouwbare of uit de lucht gegrepen methoden die in omloop zijn.
Ze zijn gebaseerd op de luchttemperatuur in de zomer of de herfst, de temperatuur
van het zeewater, de laagte van rivierstanden, het aantal noten, kastanjes en
eikels, het zonnevlekkenminimum of wat dan ook. Binnen een minuut tovert Van
Oldenborg een diagram op zijn beeldscherm dat het totaal ontbreken van enig
verband moet onderstrepen. 'Gemiddeld is het misschien wel ietsje kouder, maar
het effect is volstrekt niet significant', licht hij verder toe. 'Misschien
is de kans op een koude winter nog wel het grootst bij een middelmatige oktober',
concludeert hij na zorgvuldige inspectie van de punten waaruit het diagram is
opgebouwd. 'De kwaliteit van seizoensverwachtingen stelt nog steeds weinig voor',
moet hij bekennen. 'Een maand vooruit lukt misschien nog wel, maar verder niet.
'Understatement'
Hij weet zich gesterkt door de klimaatonderzoekers van het Europese Weercentrum
in Reading ten westen van Londen. Ze houden zich daar bezig met het opstelen
van seizoenverwachtingen, maar geven die alleen uit voor gebieden waar je mogelijk
iets aan zo'n verwachting hebt. Het Europese vasteland zit daar niet bij.
Bij andere weerinstituten heeft men er kennelijk minder moeite z'n nek uit te
steken. Zowel de Britse Weerdienst als die van Frankrijk komt met een wintervoorspelling.
En in beide gevallen komen ze uit op een koude winter. Wel tekenen de Engelsen
er met hun bekende gevoel voor 'understatement' bij aan dat de kwaliteit van
dit type verwachtingen 'doorgaans redelijk, maar bepaald niet hoog' is. Ook
de geruchten die in Engeland opgang deden en waarin werd gesproken van de koudste
winter sinds 1963, drukten de Britten zo snel mogelijk de kop in. Van Oldenborg
beschikt over meer informatie en haalt daarmee de hoop op winterkou nog wat
verder onderuit. 'De Engelsen hebben twee modellen waarmee ze seizoenverwachtingen
maken. Een van de twee komt juist uit op een wintertemperatuur boven normaal',
corrigeert hij de halve waarheid.
Extra Strohalm
Toch kregen de liefhebbers van een koude winter het afgelopen jaar nog een extra
strohalm aangereikt. Cor Schuurmans, oud-hoogleraar klimaatonderzoek in Utrecht,
rakelde in het vaktijdschrift voor meteorologen namelijk een theorie op die
een 89-jarige cyclus veronderstelt in de wintertemperatuur. 'Als die theorie
klopt, is het de komende winter of de winter daarna weer tijd voor vorst', zegt
Schuurmans, die zelf overigens geen kouliefhebber is. Tot zijn verbazing constateerde
hij dat de statistiek de onbegrepen cyclustheorie niet direct naar de prullenbak
verwijst. Maar steekt hij voor een op handen zijnde koudeperiode ook zijn hand
in het vuur? Dat blijkt niet het geval. 'Zonder een natuurkundige verklaring
geeft zelfs significante statistiek ons geen vertrouwen in het bestaan van welke
cyclus dan ook', Het blijft dus afwachten geblazen.