
DE BILT/MEPPEL Die Elfstedentocht, die komt er echt wel. We weten alleen nog niet wanneer. Wachttijden van twaalf jaar of meer zullen zich in de toekomst steeds vaker voordoen. Misschien komen er na ons zelfs generaties die nooit zelf een Friese Elfstedentocht zullen meemaken.
'Er zijn pessimisten die geloven dat er nooit
weer een Elfstedentocht zal komen. Volgens hen is die van 1963 de laatste geweest'.
Dat schreef de Gorredijkse weerman Hans de Jong in de Weeragenda 1984. Zelf was
hij toen nog niet uit het veld geslagen en hield hij de moed erin. Na 22 jaar
wachten werd een jaar later zijn geduld, en dat van vele anderen, beloond.
Inmiddels
zijn er sinds de laatste Tocht der Tochten in 1997 al weer 12 jaren met teleurstellende,
af en toe zelfs wanhopig makende, winters verstreken. Het opnieuw de kop opstekende
pessimisme wordt rijkelijk gevoed door berichten over een veranderend klimaat
met zachtere en nattere winters. Velen zijn ongerust, waaronder Jan Peter Balkenende.
'Toen ik werd geboren - in 1956 - was de kans op een Elfstedentocht één
op vier. Toen mijn dochter werd geboren - in 1999 - was die kans geslonken tot
één op tien. Een enorme verandering in één generatie'
uitte de premier in 2005 zijn bezorgdheid.
![]() | ![]() | ![]() |
Elfstedenweer
Wat
moet er gebeuren om een Elfstedentocht te mogelijk te maken? 'De meeste winters
met een Elfstedentocht waren koud of streng', trapt Harry Geurts een open deur
in. 'Over het weer op de dag zelf, zegt dat overigens weinig. Vooral wind en sneeuw
kunnen het heel onaangenaam maken,' weet de KNMI-voorlichter. 'Verder laat de
kwaliteit van het ijs vaak te wensen over na een winderige en wisselvallige vorstperiode.
En schaatsen als het dooit, is ook niet alles.'
Drie keer moesten de deelnemers
tijdens dooi het ijs op: de eerste keer in 1909 in de mist, de tweede keer in
1912 in de regen. De derde en laatste dooitocht werd verreden in 1985. 'Gelukkig
was het ijs toen goed', stelt Geurts achteraf gerust. Het jaar daarna was de situatie
veel zorgelijker: 'Toen kregen de schaatsers het moeilijker door de vele scheuren
in het ijs, de matige vorst en de matige noordoostenwind'.
Beter in het geheugen
gegrift staan de barre tochten, en dan vooral die uit 1963. Toen was er haast
geen doorkomen aan doordat een snijdende oostenwind stuifsneeuw over de baan joeg.
Ook in 1929, 1940 en 1947 was het ijzig koud met in 1940 bovendien weer die stuifsneeuw.
In 1956 viel de kou mee, maar zware sneeuwval en slecht ijs maakten ook deze tocht
moeilijk. De laatste Elfstedentocht van 1997 geldt eveneens als bijzonder zwaar
door een combinatie van een stevige wind en lichte tot matige vorst.
De rijders
uit 1917, 1933, 1941 en 1954 hebben het beter getroffen. Het ijs was uitstekend,
er stond geen wind en het was veelal zonnig. Ook in 1942 was het zonnig en windstil,
maar door de strenge vorst waren er toen wel veel bevroren ledematen.
Elfstedenwinters
Wie
de door Geurts genoemde jaren telt, komt op een totaal van 15 elfstedenwinters
in 100 jaar. 'Winters met de mogelijkheid van een Elfstedentocht zijn dan ook
uitzondering', concludeert KNMI-collega Theo Brandsma. De klimaatonderzoeker en
drievoudig elfstedenrijder weet ook hoe dat komt. 'Het Nederlandse winterweer
wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ligging aan de Noordzee en de overheersende
westen- of zuidwestenwinden', legt hij uit. 'Schaatswinters ontstaan pas als de
wind uit de koude oost- of noordoosthoek gaat waaien. Dat is gemiddeld een op
de drie dagen het geval. Voor een dikke ijsvloer moeten we een heleboel van dergelijke
dagen op een rij hebben en dat is dus vrij zeldzaam,' aldus Brandsma. Al rond
de eeuwwisseling voerde hij berekeningen uit om na te gaan hoe vaak we deze eeuw
op een Elfstedentocht mogen rekenen. Daarbij ging hij uit van de gegevens van
het voorlaatste rapport van het internationaal klimaatpanel IPCC, dat nog moest
verschijnen maar waarvan de inhoud op het KNMI reeds bekend was. De temperatuurstijging
in de loop van deze eeuw zou volgens dat rapport hoogstwaarschijnlijk liggen tussen
1,5 en 6 graden. Het bijbehorend aantal Elfstedentochten in de 21e eeuw bedroeg
bij de grote temperatuurstijging 4 en bij geringe opwarming 10.
Balkenende
baseerde zich bij zijn uitspraken op gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Statisticus Hans Visser kwam in 2005 met zijn 'kans op een Elfstedentocht' als
maat voor het klimaat en de klimaatverandering. Vorig jaar werkte hij zijn gegevens
bij en kwam uit op één Elfstedentocht per 18 jaar. Overigens zijn
de onzekerheden groot. In het voor de schaatsliefhebbers gunstigste geval was
de kans in 2008 1 op 7, in het slechtste geval slechts 1 op 64. In de loop van
de eeuw nemen deze kansen verder af. Rond 2050 mogen we bij een beperkte temperatuurstijging
weliswaar nog rekenen op één tocht per 18 jaar, maar uitgaand van
het warmste KNMI-scenario is er dan nog slechts één tocht in de
180 jaar. In dat geval slaat de tocht soms generaties over en wordt het een hele
klus al die tussenliggende tijd de Elfstedenorganisatie en de ijswegencentrales
op de been te houden.